zaterdag 10 maart 2012



Lees hier Maarten Asschers bespreking van Dit nog, ook dit op de website van de Athenaeum Boekhandel.

zaterdag 3 maart 2012


Etalage Athenaeum Boekhandel, Spui, Amsterdam

Klik hier voor een 'proefessay' uit de zojuist verschenen bundel Dit nog, ook dit. Essays over poëzie en proza.


'De lezer is een medeminnaar'

In een reeks literaire liefdesverklaringen zingt boekhandelaar Maarten Asscher de lof van
Wiel Kusters' essays

2-3-2012 - Toine Donk
‘Als ik een boek van voor tot achter lees – wat ik bij lang niet alle boeken doe – is dat een teken van grote overgave en bewondering. Dan is dat mijn lievelingsboek. Uiteraard moet dit na een dag, een week of een maand plaatsmaken voor een ander lievelingsboek, zo gaat dat als je met boeken leeft. Het gevoel van „hier wil ik het over hebben met anderen” – dat je meteen dat missionarissengevoel krijgt dat hoort bij een actieve lezer – had ik direct bij het boek dat ik nu lees, de bundel essays Dit nog, ook dit van Wiel Kusters.

,,Deze bundel bevat stukken over poëzie en proza die vanaf 1993 ontstaan zijn. Ze representeren een kleine twintig jaar lezen en schrijven. Alleen al uit de keuze van auteurs blijkt dat Kusters vanuit zijn eigen boekenkast schrijft. Het is zo’n knappe bundel omdat hij ‘literairder’ is dan de meeste literatuurwetenschap en grondiger dan de meeste essays, het zit er precies tussenin. Vanuit een bepaalde invalshoek probeert Kusters zo veel mogelijk in een verhaal of gedicht te vinden, en vervolgens te duiden wat hij gevonden heeft.

,,Zo staat er een erg mooi essay in over het gedicht ‘Afsluitdijk’ van Vasalis, met de beroemde openingsregel: ‘De bus rijdt als een kamer door de nacht’. Kusters gaat met de onbevangenheid die de ideale lezer kenmerkt zich alles afvragen dat er op je afkomt als je dat gedicht leest. Bijvoorbeeld: reed die bus nou van Den Helder naar Leeuwarden of reed-ie van Leeuwarden naar Den Helder? Ik herken die obsessieve nieuwsgierigheid.

,,Door deze bundel realiseer je je hoeveel er verloren gaat door de overmatige fixatie in onze tijd op het nieuwe en op de roman als literaire vorm. Literaire prijzen gaan altijd naar romans en als je als schrijver debuteert met korte verhalen, dan zeurt iedereen aan je kop met de vraag wanneer je roman komt. Dat doet de literatuur in zijn rijkdom absoluut onrecht. Door deze bundel ontdek je prachtige gedichten, zoals het gedicht ‘Mijn dochtertje zei: dood’ van Anton van Duinkerken, dat begint met de strofe:

Het woord, dat ik het zwaarst van al verdraag,

Dubbel onwelkom uit een kindermond,

Schrijnt mijn geheugen als een open wond,

Bloot voor de wind, naakt in een regenvlaag.

,,Kusters zelf is een dichter, en hij bedient zich in deze bundel van mooie omschrijvingen. Er staat een stuk in dat hij schreef voor de 65ste verjaardag van Kees Fens. Het gaat over de gedichten van Jan Hanlo, van wiens werk zij beiden liefhebber zijn. Hij noemt de jarige Fens een ‘medeminnaar’. Dat vind ik een prachtige formulering. Er komt een hele liefhebbende, bijna erotische gedachte mee op van twee lezers die het met dezelfde schrijver doen.

,,Kusters begint een van de essays met: ‘Soms maakt een gedicht andere verzen wakker. En via de lezer praten ze met elkaar.’ Dat is een mooie karakterisering van zijn werkwijze. Wat je gelezen hebt, zwemt in je rond en raakt elkaar aan. Dan maakt het niet uit of sommige dingen een eeuw eerder en andere een eeuw later geschreven zijn. Literatuur behoudt heel lang zijn opwinding.

,, Het bijzondere aan een essay over literatuur is dat je gebruik maakt van hetzelfde medium waarin het zich aan je voordoet. Je probeert met woorden iets te weten te komen over andere woorden. Het is alsof je alleen in muziek op muziek zou mogen reageren. Door deze bundel besef je weer eens dat alles wat je schrijft met duizend draden vastzit aan alles wat je gelezen hebt.’’


Copyright NRC Handelsblad BV

donderdag 1 december 2011

Leve Pierre Kemp!

Vandaag is het 125 jaar geleden dat in de Mariastraat in Maastricht Pierre Kemp werd geboren.

Uit zijn bundel Engelse verfdoos (1956) de eerste vier regels van het gedicht 'Indian Yellow':


De kleine tovenaar Penseel

drinkt aan het napje Indisch Geel

en tript naar het groen gekarteld buiten

om duo's met de wind te fluiten.

donderdag 10 november 2011

Dit nog, ook dit. Essays over poezie en proza

Athenaeum-Polak & Van Gennep
Verschijnt maart 2012
Omslag: Monique Gelissen
216 blz.

Essays over Edgar Allan Poe, Willem Elsschot, Louis Paul Boon, J.C. Bloem, Vasalis, Jan Hanlo, W.H. Auden, Gerrit Kouwenaar, Willem Frederik Hermans, Huub Beurskens.
In opdracht van Stichting De Koempel Verhaalt werk ik aan een boek over leven en werk van de Limburgse mijnwerkers: sociale geschiedenis vanuit een persoonlijke en 'literaire' invalshoek.

woensdag 9 november 2011

Billenkoek of erger?



Joachim Patinir: Ruhe auf der Flucht nach Aegypten




Dit is het schilderij 'Die Jungfrau züchtigt das Jesuskind' van de surrealistische kunstenaar Max Ernst. In het programma Kunststof TV van zondag 6 november probeerde Henk van Os aannemelijk te maken dat Ernst op het onorthodoxe idee voor dit schilderij was gekomen na het zien van Joachim Patinir's werk 'Ruhe auf der Flucht nach Ägypten' in de Gemäldegalerie te Berlijn, waarbij hij de handbeweging van Maria verkeerd zou hebben geïnterpreteerd.


Veel aannemelijker dan deze associatie lijkt mij de mogelijkheid dat Max Ernst in dit beeld van de Moeder Gods die haar eerst- (en enig)geborene tuchtigt reminiscenties wilde wekken aan het bijbelse verhaal van Abraham en Isaac: de vader die op het punt staat zijn zoon te offeren (Genesis 22). Mij dunkt dat compositie en dynamiek van 'Die Jungfrau tüchtigt das Jesuskind' - het kind lijkt wel op een offerblok te liggen - deze gedachte bijna onontkoombaar maken. Daar komt nog bij dat het verhaal van Abraham en Isaac in de christelijke traditie gelezen wordt als een prefiguratie van de executie van Jezus van Nazareth.



(met dank aan T.)



































































maandag 31 oktober 2011

Ach, misschien had Ronald Giphart zijn dag niet, toen hij die zogenaamde Lofrede schreef. De grote vraag met betrekking tot het broddelwerk dat hij leverde voor de volksuitgave van Het leven is vurrukkulluk is natuurlijk: hebben ze dat stukje bij de CPNB niet gelezen voordat ze het naar de drukker stuurden? Of vonden ze het wel mooi zo? Wel verstand van boeken als koopwaar, maar niet van taal en stijl?