zondag 6 mei 2018



Resurrectio

Mijn kleinzoon vraagt: 'Waar was ik toen, was ik
nog dood?' Ik zwijg en stamel tot ik mijn
gedachtenas verzamel, me herschik:
'Of je er voor je bent geweest moet zijn

om te herrijzen, ja, dat weet ik niet.'
Dat is wel vreemde taal, hij is pas vijf
en in een wereld die ik ooit verliet.
Toch gaat hij verder dan waar ik verblijf.

Nog even onder ons. Vindt hij misschien
wat ik niet mis, hoewel ik het verloor?
Wat dat kan zijn hangt af van het moment
dat hij of jij dit leest. Wil je me zien?
Je kunt me zoeken langs dit letterspoor,
tot waar je zelf een ander bent, me kent.

Wiel Kusters
Bevrijdingsdag 2018


dinsdag 24 april 2018

Autobiografische sonnetten: 2


Dichtersbloed

Ik was zeventien en zocht de poëzie
waar ze niet was, in mijn klein leven toen,
de krampjes van elk woord, echolalie.
Wel wortels, maar geen takken, laat staan groen.

Ik werkte in een ziekenhuis als klerk,
de poli van de zenuwarts De Jong.
Daarnaast bezong ook ik de reine berk
(geneurie eigenlijk, met die stijve tong).

Plots stond de dichter Aafjes voor mijn neus.
Ik las hem al, zijn reisverhalen en
Het koningsgraf, de Voetreis van zijn roem,
al dat werk, de schaduw van een reus.
Hij moest meteen naar het lab, ik gidste hem
en zag zijn bloed zich in een buisje doen.

Wiel Kusters


woensdag 21 maart 2018

Gaan waar de woorden gaan


Sommige mensen lossen graag kruiswoordpuzzels op, andere cryptogrammen.
Dat is niets voor mij.
Wat ik wel graag doe, is binnen het uur een gedicht schrijven aan de hand van rijmwoorden die door een andere dichter worden aangereikt.

Vanochtend deed ik dat met als uitgangspunt het gedicht ‘De hoed’ van S. Vestdijk. Het was een willekeurige keuze. Bladerend in de Nagelaten gedichten zocht ik, door mijn oogharen kijkend, een sonnet en noteerde zonder het gedicht te lezen vlug de rijmwoorden.

Dit waren de woorden waarmee ik het vandaag moest doen:

wég / last / gast / aangezegd / vast /neergelegd / eg / was / kind’ren / goed / hind’ren / ópspringt / hoed / wringt

Ik besloot de accenten op ‘wég’ en ‘ópspringt’ te schrappen en ‘kind’ren’ en ‘hindr’en’ te schrijven als kinderen en hinderen. Toen schreef ik, het pad van Vestdijks rijmwoorden volgend:

BERM

Je koos steeds voor de ingeslagen weg
terwijl je daar al líep, jezelf tot last.
Op weg naar waar je blijven wou als gast,
al was jou je vertrek al aangezegd.

In ergens zíjn geloofde je nog vast.
Bestemming was in voortgang neergelegd,
want waar je keek: de geultjes van een eg
(terwijl geen zaaier te bekennen was).

Als je niet werd zoals de kinderen,
kwam alles in de avond wel weer goed.
Dan kon geen vader je nog hinderen.

Maar ik zie plots hoe je de berm opspringt:
een schaap ontvlucht de kudde die ik hoed.
Een zin, een woord dat zich naar vrijheid wringt.

Ben je nieuwsgierig naar het oorspronkelijke gedicht van Vestdijk?
Het dateert uit maart 1932.
Hier is het.

DE HOED

Hij liet zijn kind’ren en zijn schulden wég
En sprak van mindr’e en van and’re last,
Drie uren lang was ik zijn liefste gast,
Toen werd er weer een koopman aangezegd.

Ik zag, dat hij het goed had, zich bij ’t vast
Bestaan als in een hok had neergelegd.
Zijn ketting dacht hij nuttig als een eg,
En sleepte hem niet meer dan noodig was. –

Ik haat zijn vrouw niet en zijn beide kind’ren,
Want die instincten zijn mij veel te goed
Om te verwerpen; ’t kan mij ook niet hind’ren,
Dat hij voortdurend oplet, opzit, ópspringt:
Het maakt hem levendig!... Maar ‘k háat zijn hoed,
Dien hij afborstelt voor hij ‘m op zijn kop wringt.

(S. Vestdijk, Nagelaten gedichten. Bezorgd door T. van Deel, G. Middag en H.T.M. van Vliet)

dinsdag 20 maart 2018


In juni verschijnt bij Uitgeverij Cossee:

DE WITTE HELM

Een 'beeldverhaal' dat ik maakte met de fotograaf Frans Welters.



September 1944. Geallieerde troepen rukken op in Zuid-Limburg. De NSB-burgemeester van Sittard slaat op de vlucht en zoekt met vrouw en kinderen een heenkomen in Duitsland. In Neder-Silezië (nu Polen), later in de Duitse stad Soest, die te maken krijgt met hevige bombardementen.

Het is voor zijn zesjarige zoontje het begin van een langdurige raadselreis. Blijvende onrust, herinneringen die hem niet loslaten. Geheugenbeelden die hem tot een sociaal bewogen fotograaf zullen maken, maar waaraan geen einde kan komen voordat hij zichzelf gezien zal hebben als het bijna tot fictie vervaagde kind dat hij was – het kind met de witte helm.


vrijdag 9 maart 2018




Windcertificaat

In memoriam  Oscar Timmers (J. Ritzerfeld)

Zijn kleur is van vallend blad,
zijn nerf rimpeling van water.

Aan zijn vlagen verhangt zich je vlag,
aan zijn woede heelt zich je rots.

Hij glijdt over daken, valt van torens,
sluipt over de drempel, nestelt zich
in nissen van je huis waarvan je het bestaan
niet kent.

Ik kan je niet beloven dat het went
noch dat hij weer weggaat
omdat uit je laatste adem hij
zich telkens weer verwekt.

Wiel Kusters


vrijdag 9 februari 2018




Samuel van Hoogstraten: Zelfportret

Van hieruit zie ik wat ik ginds bedacht,
terwijl het er toch wás: die dakenrij,
die toren zonder rimpels in de gracht.

Een luik omlaag geklapt en een opzij.
Het licht heeft al te lang op mij gewacht.
Met wakkere blik kijk ik mijn handen vrij.

Weg met de klamme dromen van vannacht,
– keel en slapen kloppend, duister bloedgetij –
waaruit ik  me gekweld bij zinnen bracht.

De zon die mij hier tekenen ziet, ben jij
die bent zoals ik ook mijzelf graag zag,
al kijk ik hier ook straal aan jou voorbij.

‘Je lijkt op mij als ik boven mijn macht,
in het pikkedonker, tast naar schrijfgerei
en letters op papier te krijgen tracht,

waarmee ik me van waken straks bevrijd,
die engelen-, narren- en demonendracht,
gezien noch ooit bedacht, maar zo dichtbij.’

Wiel Kusters