woensdag 5 september 2018


UITZETTING

Als je niet weet, het lijkt je wel voorgoed,
waar morgen en daarna je bed zal staan -
ik zwijg nog van je taal, hoe je je redt
als zo’n ontplaatst persoon - en lijden moet,

omdat je wordt vervreemd van onze wet,
en je een kind bent, door een staat miskend
die vindt dat het niet past dat jij hier bent
en iedereen toch Joden heeft gered,

zeg dan gerust wat je nu denkt en voelt,
maar duik eerst onder, want dan snappen ze
misschien dat íemand hier het licht moet zien.

Kom op dus, Harbers, die het goed bedoelt.
Ja, die principes, ze verraden je.
Zeg onze humanisten na: ‘Ik dien.’


(voor Lili en Howick)

Wiel Kusters


Iets over schommelen aan zee


Schommel aan zee

'De Zee, de Zee...'
Willem Kloos

Zo eindeloos deint deze schommel niet.
Steeds trager heen, steeds minder ver terug.
Maar het fijne blijft, dat je de zee steeds ziet;
het perspectief verandert niet zo vlug.

Jim moet nog leren hoe je je gewicht
verplaatst, als je graag schommelen blijft.
Dat je eerst moet zitten of je languit ligt
en dan weer andersom. Je stijgt, je drijft.

Ik zie mijn dochter met haar jongste kind,
de duwtjes die zij geeft. 'Nóg,' roept hij, 'nóg!'
Vlug overeind – ik ga aan zijn voeten staan
tot waar die reiken in hun verste baan
en laat me raken door dat lieve joch.
Dan steekt van land de wind op. Wind.

Dit gedicht schreef ik in eerste instantie voor de vijfjarige Jim en zijn moeder, mijn dochter Tanneke. Het is dus een zeer persoonlijk gedicht: Jims naam komt er zelfs in voor, en ik heb niet geschroomd hier ook het woord lief te gebruiken, hoewel dat in ‘serieuze’, ‘professionele’ gedichten niet hoort, meen ik. Ook zo’n naam, verwijzend naar een bestaande persoon, lijkt niet te mogen. Maar poëzielezers herinneren zich misschien toch ook wel uit 'Het innerlijk behang' van Hans Lodeizen: ‘Jim ik zou willen weten/ wat maakt het de moeite waard/ dat je door blijft schrijven’ (in een gedicht waarin Lodeizen zich richt tot zijn vriend James Merrill). Of de openingswoorden van Nijhoffs gedicht ‘Fuguette’: ‘Claudien, jij speelt piano’, refererend aan zijn vriendin Claudine Witsen Elias.
Enigszins verdacht in een gedicht is, zoals gezegd, ook het woord ‘lieve’, hier: ‘dat lieve joch’. Het geldt als een sentimenteel element, behalve misschien wanneer de al genoemde Willem Kloos het in zijn sonnet ‘Doodgaan’ heeft over ‘het lieve Dood-zijn’, waarvan men volgens hem niet moet ‘ijzen’.
Het kwam vroeger wel eens voor, dat door tijdschriftredacties aan dichters werd gevraagd een soort proces-verbaal of een dagboekje bij te houden van het ontstaan van een gedicht. Ik herinner me zoiets bijvoorbeeld van Rutger Kopland. Zo ver gaan mijn aantekeningen hier niet. Wel noteer ik voor de aardigheid een paar dingen die mij bij lezing van mijn gedicht te binnen schieten. Elementen die ik niet bewust in de tekst heb aangebracht, maar die voor mij nu wél als kristallisatiepuntjes voor een interpretatie zouden kunnen dienen.
De verwijzing naar het sonnet van Kloos dat begint met de regel: ‘De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining’ was natuurlijk een opzettelijke. Maar over ‘mijn Ziel’ gaat het verder niet. Het tafereel is eenvoudiger van aard, en de eindeloosheid van de zee wordt geconfronteerd met de eindigheid van de schommelende beweging van het kind. Of beter: omgekeerd. Wél blijft de zee daarbij zichtbaar. Jim, op zijn schommelende plankje, moet telkens opnieuw een zetje krijgen, wil het genoegen blijven bestaan. Voorlopig is het hem nog niet genoeg. Het moet nog dúren – vandaar dat hij ‘Nóg!’ roept, ‘nóg’. Wat hij in de werkelijkheid waaruit het gedicht is ontstaan precies riep, weet ik niet meer. Misschien inderdaad wel ‘Nóg!’, als een korte snelle aanvuring. Misschien wel iets anders. Maar wat dat ‘Nóg!’ in het gedicht mede is gaan betekenen, is meer, of in ieder geval ook nog iets anders dan wat er zo enthousiast geroepen werd. ‘Nóg!’ is: ‘Nog eens!’ Maar ook, zoals ik het nu lees: ik beweeg nog, ik ben er nog. De tijdelijkheid moet worden bestreden.
En dan het ‘liggend zitten’ op de schommel, dat geregeld nodig is, om de schommel zélf in beweging te houden. De vaardigheid de schommel hoog op te doen zwaaien door regelmatig je gewicht te verplaatsen. Toen ik aan het sextet begon, na de eerste acht regels dus, schreef ik intuïtief de woorden neer: ‘Vlug overeind’. Ik kwam uit mijn stoel, vanuit de zittende positie waarin ik naar Jim en de zee had zitten kijken. Op die manier schreef ik me, zou je kunnen zeggen, ín in zijn beweging, zijn situatie.
Opgestaan en naar Jim toegelopen, stel ik me op bij zijn voeten. Daardoor kan hij mij zachtjes raken, en dat gebeurt ook, al remt het hem een beetje af. In zekere zin duwt hij een beetje tegen mij, duwt mij voorzichtig in de richting van de zee, de eindeloze, de tijdeloze.
De ene generatie en de andere. Ik zal hem, als grootvader, niet heel lang meer zetjes kunnen blijven geven in zijn leven. Daarvoor is zijn moeder op haar plaats. En plotseling is daar dan ook nog het besef van de wind, die van land komt, die in zijn rug blaast. De wind, ach, de geest, de kracht, de tijd die Jim door het leven zal dragen.





maandag 27 augustus 2018

Schoolstraat, Spekholzerheide


Foto: Gemeentearchief Kerkrade

Dit is de wat geheimzinnige foto die mij een dag of tien geleden inspireerde tot het gedicht 'Donderroe':  de Schoolstraat in Spekholzerheide, het dorp waarvan de goede Nescio meende dat 'de God van Nederland' ook daar zijn tenten had opgeslagen; zie zijn verhaal 'Dichtertje').
De foto is uit 1928. Wat je ziet is de straat waarin ik in achttien jaar later geboren ben, in een van de huizen tegenover het hoge gebouw van de openbare school. Mijn geboortehuis staat er strikt genomen niet op, omdat het, daterend uit 1914, in 1936-1937 werd afgebroken en opnieuw, maar volgens een iets ander plan, weer opgebouwd. In dat nieuwe, vervangende huis, op nummer 14, bracht mijn moeder mij op zondag 1 juni 1947 ter wereld, terwijl de thermometer buiten meer dan 31 graden wees.
Afbraak en wederopbouw van de huizen in de Schoolstraat waren noodzakelijk geworden als gevolg van mijnschade, zware en levensgevaarlijke verzakkingen.
De wonderlijke omstandigheid doet zich dus voor, dat mijn opa, die als houwer werkte in de steenkolenmijn Willem-Sophia in datzelfde Spekholzerheide, door zijn ondergrondse broodwinning tegen wil en dank meegeholpen moet hebben bij de funeste uitholling van de aarde onder zijn huis.
De foto van 'mijn' straat, gezien in 1928, is afkomstig uit het Gemeentearchief Kerkrade en kwam mij door een zeker toeval onder ogen. Een gedicht kon niet uitblijven. De foto intrigeert mij hevig, het schrijven heeft daar niets aan veranderd. Wat gebeurt hier?
Ik heb over het leven in de Schoolstraat al eerder geschreven. In In en onder het dorp bijvoorbeeld (ondertitel: Mijnwerkersleven in Limburg) en in het voor mijn doen betrekkelijk lange vertellende gedicht Legende, waarvan ik achteraf een beetje betreur dat ik het niet heb opgenomen in Leesjongen, mijn in 2017 verschenen verzamelde gedichten. (Er bestaat wel een afzonderlijke uitgave van en het is ook te vinden in Als kind moest ik een walvis eten.)
Het meest fascinerende element van de foto is voor mij de man die op de nok van het schooldak in de weer is met een lange draad. Ik denk dat hij bezig is met het aanbrengen van een bliksemafleider – met een vergeten woord: een donderroe.

Het gedicht 'Donderroe' kun je lezen op Het Moment.





donderdag 23 augustus 2018




Schommel aan zee

'De Zee, de Zee...'
Willem Kloos

Zo eindeloos deint deze schommel niet.
Steeds trager heen, steeds minder ver terug.
Maar het fijne blijft , dat je de zee steeds ziet,
het perspectief verandert niet zo vlug.

Jim moet nog leren hoe je je gewicht
verplaatst, als je graag schommelen blijft.
Dat je eerst moet zitten of je languit ligt
en dan weer andersom. Je stijgt, je drijft.

Ik zie mijn dochter met haar jongste kind,
de duwtjes die zij geeft. 'Nóg,' roept hij, 'nóg!'

Vlug overeind – ik ga aan zijn voeten staan
tot waar die reiken in hun verste baan
en laat me raken door dat lieve joch.
Dan steekt van land de wind op. Wind.

woensdag 22 augustus 2018


Wanneer het glas waaraan wij samen dronken

-- lippen die een stil verbond beklonken --

diep in de schervenzee zal zijn gezonken,

blijft nog die kus, mij zo terloops geschonken.


Wiel Kusters

Donderroe (gedicht)


Spekholzerheide, Schoolstraat, 1928.
Foto: Gemeentearchief Kerkrade


Donderroe

 Maar dat is tot daaraantoe.
            M. Nijhoff
           

Zoals die straat daar plotseling
voor mij ligt, heb ik haar niet gekend,
zo uit het zicht als een vermoeden
van wat geweest is, als wat went
terwijl het zich vervreemdt.

Geen noodzaak om wat eerder was
te hoeden. De straat waarin ik me verstopte,
tolde, rende, ligt in het verlengde van waar
ik sta en kijk
                               lees verder

dinsdag 21 augustus 2018




maandag 25 juni 2018


Emblema

Slakken zijn niet langzaam. Misverstand.
Ze stuiven over het blad, ik kijk ervan op,
voel zo dichtbij de scherpte van de rand.
In elke wedstrijd ligt de dood op kop,
of je nu kruipt of rent, hij wacht op jou,
lichtjes verveeld of ademloos met kramp,
alsof hij nog iets dringends zeggen wou.
Een waarschuwing, de dreiging van een ramp.

Je hoeft geen mens te worden als een god,
tenzij je er een was. (Haast je dan traag.)
De wereld kan je missen, jij haar niet.
Kijk dus niet achter je, daar rust je lot,
ver antwoord dat voorafging aan geen vraag.
Vlak voor je vind je wat je liggen liet.


Wiel Kusters

zondag 6 mei 2018



Resurrectio

Mijn kleinzoon vraagt: 'Waar was ik toen, was ik
nog dood?' Ik zwijg en stamel tot ik mijn
gedachtenas verzamel, me herschik:
'Of je er voor je bent geweest moet zijn

om te herrijzen, ja, dat weet ik niet.'
Dat is wel vreemde taal, hij is pas vijf
en in een wereld die ik ooit verliet.
Toch gaat hij verder dan waar ik verblijf.

Nog even onder ons. Vindt hij misschien
wat ik niet mis, hoewel ik het verloor?
Wat dat kan zijn hangt af van het moment
dat hij of jij dit leest. Wil je me zien?
Je kunt me zoeken langs dit letterspoor,
tot waar je zelf een ander bent, me kent.

Wiel Kusters