zondag 24 augustus 2014

Tango

Toen ik Toon Hermans voor de eerste keer ontmoette in zijn huis in Bosch en Duin had hij een baard en droeg hij een petje. Mieke, zijn assistente, liet me binnen. Op datzelfde moment, perfect getimed, kwam Toon vanuit een kamer de gang in lopen, ernstig, zwijgend, met langzame tred, alsof hij meeliep in een processie. Hij hield een palmpasenstok omhoog. Met zijn blik quasi op oneindig sloeg hij, als in trance, linksaf, mij tegemoet. Toen was daar zijn lach als begroeting.
Het was een moelijke tijd voor Toon. De dood van zijn vrouw Rietje, in 1990, zat hem na jaren nog wreed in de botten. Misschien liet zijn baard van die gevoelens naar buiten komen – zoals dat wel vaker het geval is bij mannen die tijdelijk een baard laten staan. Er was hem iets overkomen dat zijn wereld voorgoed had veranderd. Iets waartegenover hij machteloos stond. Hij leefde in een blijvende leegte. Die baard, die hem zo anders maakte, verried daar iets van. Hij kon zijn Rietje niet meer vinden, maar ook zichzelf niet meer wanneer hij in de spiegel keek. Dat laatste wilde hij misschien ook zo. Hij kon niet meer de oude zijn nu hij Rietje niet meer bij zich had. Maar hij deed zijn best.
Bij een volgend bezoek – Toon zat zoals wel vaker op zijn hometrainer onder het afdakje boven de voordeur en fietste zijn kilometers in de leegte toen ik aankwam – was zijn baard verdwenen. Ik heb er niets over gezegd, niets over gevraagd. We spraken weer over zijn werk en over zijn nieuwe gedichten en teksten voor liedjes. Hij vertelde een kostelijk verhaal met het jiddische (?) woord 'unbeschrien' erin. Het ging over een psychiater, de anekdote zelf ben ik vergeten. Unbeschrien betekent zoiets als onopgemerkt.
Mieke zorgde wanneer er bezoek kwam voor de lunch. Op een keer bleek er iets misgegaan in hun gezamenlijke agenda en was zij er niet.Toon toonde zich totaal onthand. Hij zocht in alle kastjes en hoekjes en vond een rol koekjes. We ontleedden het vreemde woord 'mariakaakjes' en dronken daar een glas water bij. Toon maakte een foto van de goede gaven vóór ons op de kale tafel en zei dat het onderschrift moest luiden: 'Twee Limburgers nemen het er eens goed van.'
Wanneer ons gesprek langer leek te gaan duren dan de voor de lunch uitgetrokken tijd, ging hij een uurtje naar bed voor we de draad weer oppakten. Van mij verwachtte hij dan dat ik ook even ging liggen, op een stretcher in een kamertje met boeken. Vreemde momenten waren dat: stilte in huis, en ergens daarboven lag Toon. Toon die de leeftijd had van mijn moeder.
Op een keer was Gé Reinders op bezoek. We bleven langer dan gebruikelijk en keken met Toon naar voetbal op de televisie.
Een van de laatste keren dat ik bij hem was, bleek Mieke opnieuw afwezig. Toon wilde tegen het einde van de middag met me gaan eten in De Hoefslag. Hij reed ons daar in zijn Mercedes naartoe. Een wonderlijke langzame autorit, bijna stapvoets, over de wegen van Bosch en Duin. In het restaurant werd hij met alle egards ontvangen. Men wist ook wat hij wilde: niets dan een voorgerecht, met veel sla eroverheen. Óver zijn eten inderdaad, als een bladerdakje.
Een paar dagen geleden heb ik hier iets verteld over een tekst die ik voor hem had geschreven: het gedicht 'Hoe vaak', over de doodsangst die hij ervoer vlak voor hij het toneel op moest. Ik had, beken ik nu, één keer eerder iets voor hem gemaakt. Maar ook die tekst kon hij niet zingen, zei hij. Het greep hem te zeer aan en misschien was ik in mijn gedicht ook iets te dichtbij gekomen. Dat wil zeggen: te dicht bij zijn verdriet, zijn hevige gevoelens van gemis. Ik had er onmiddellijk spijt van dat ik het hem had willen laten lezen. Toon zat hier niet op te wachten. 'Maar je moet dit wel bewaren,' zei hij.
Het gedicht heet 'Tango'.
Ik speel daarin met de uitdrukking 'it takes two to tango'.
Maar die tweede is er niet meer...

TANGO

Ik dans een tango, maar ik kan niet dansen
Ik heb mijn benen wel, maar jou heb ik hier niet
Toch dans ik nou, want dat verhoogt mijn kansen,
mijn kans op jou – als jij me bezig ziet

Als jij me bezig ziet, dan doe je vast wel mee
Je springt me bij, want dat heb je toch steeds gedaan?
Geen 'Tearoom tango', liever 'Thee voor twee'
Ik begin alvast, want anders blijf ik staan

Als ik blijf staan, dan staat mijn hart ook stil
Mijn hart dat slaat omdat ik van je houd
Mijn hart springt op, omdat het dansen wil
En mijn twee armen hier, dat zijn ook die van jou

Ik dans de tango en jij danst met mij
We dansten vroeger net zoals vandaag
Zat ik soms klem, dan danste jij mij vrij
Zat ik omhoog, je danste mij omlaag

Wij dansen weer precies zoals het was
Ik sta weer met vier benen op de grond
Ik houd ons met mijn armen stevig vast
Ik kus je met mijn ziel en met mijn mond




zaterdag 23 augustus 2014

Hoe vaak

Ik denk dikwijls aan Toon Hermans, en niet alleen als ik een liedje of conference van hem hoor. In 1997 en 1998 ging ik geregeld bij hem op bezoek in Bosch en Duin, waar hij mij ontving aan de beroemde keukentafel. Er moest worden geluncht en naar verhalen geluisterd, waarbij veel werd gelachen. Daarna wilde hij soms met me over teksten praten die hij had geschreven, of beter: die hij via een dictafoontje waarmee hij door de tuin wandelde aan zijn assistente, Mieke van Eeuwijk, had toevertrouwd om uit te tikken. Toon wilde weer het theater in, dat wil zeggen met liedjes in kleine zalen optreden. Hij droomde van kleine poëtische voorstellingen, waarop hij zich niet meer zoals vroeger lang van tevoren op moest vastleggen. Klein maar fijn, zogezegd, vooral voor zijn eigen genoegen. Zonder de spanningen die zijn grote shows jarenlang hadden opgeleverd. En over die nieuwe liedjes, de teksten daarvan, die voortdurend uit hem opborrelden, wilde hij graag praten. Commentaar, suggesties, hulp bij het verfijnen van zijn invallen, dat was wat hij van mij vroeg. Toen hij opbelde, de eerste keer, met de vraag of ik niet eens langs wilde komen, dan konden we samen een boterham eten, was ik daarover verbaasd. Ik kon nauwelijks geloven dat ik hem aan de telefoon had en dat hij me uitnodigde voor een ontmoeting. Hij was, met Godfried Bomans, de held van mijn jeugd. Waarom zou ik het niet zo noemen?
Zijn nieuwe teksten stuurde Mieke me meestal per fax, van Toons kanttekeningen in handschrift voorzien. Het is een aardige stapel geworden. Veel nooit gerealiseerde liedjes. Het leek erop dat hij vooral het werken eraan fijn vond en dat ook die kleine zaaltjes hem hoe langer hoe minder trokken.
Nadat hij me een keer had verteld over zijn in al die jaren van optreden nooit verdwenen angst om op te komen – echte doodsangst bijna, maar wanneer de voorstelling eenmaal begonnen was, ging die al heel snel over – heb ik het gewaagd daarover uit eigen beweging een liedtekst te schrijven. Natuurlijk had ik de stille hoop dat hij die ooit zou zingen, of in ieder geval dat hij hem mooi zou vinden. Maar Toon zong nooit andermans teksten en dus ook deze niet. Wel belde hij op, om met zachte stem te zeggen dat hij om die regels, waarin ik me in hem had proberen te verplaatsen, had gehuild.
Dit is die tekst. Toon richt zich daarin tot zijn publiek uit vele jaren.

HOE VAAK

Hoe vaak heb ik de zon bezongen
ook al zat de hemel dicht
ieder wolkje uitgewrongen
want zo worden wolkjes licht

Hoe vaak heb ik de clown gespeeld
ook zonder gekke neus en pruik
maar hoe vertekend was dat beeld
weemoed jankte in mijn buik

Hoe vaak heb je om mij geschaterd
gekke tranen waren dat
jouw zorgen heb ik steeds verwaterd
maar in mijzelf zat soms de klad

In het circus staat de angst te lezen
op het gezicht van wie de leeuwen temt
maar de muziek begint en er is niks te vrezen
dat is de wijsheid die het circus kent

En als ik jou de zon beloofde
terwijl het regende op mijn dak
dan hoopte ik dat je mij geloofde
– als ik de zon de lucht in stak

Je dacht misschien: dat is maar show
je dacht misschien: meent ie dat echt?
geeft ie ons de zon cadeau?
maar ik heb nooit te veel gezegd

Vaak stond ik achter het gordijn
de bibberasie in mijn knoken
zo klein als je maar klein kunt zijn
mijn angst heb je nog nooit geroken

Maar als ik het doek omhoog zag gaan
begon het me langzaam weer te dagen
en als ik in het licht ging staan
kwam er een einde aan het knagen

En de muziek die liefde is
die blies mij adem in mijn longen
en jouw applaus en mijn gemis
die hebben om het hardst gezongen

En ging het doek na uren dicht
dan stond de hemel voor mij open
dan had het licht mij opgericht
dan kon ik naar de sterren lopen




Deze tekst is ook te vinden op mijn Facebookpagina, datum 22 augustus 2014.  Daar kan men ook reageren. 

zondag 17 augustus 2014


Gramophone DB 4930

Ik hoor in rood Ravel en eer 'k het merk,
bol ik mijn wangen en bugel ik mee
met onvolkomen glans, maar even sterk
een der fanfares uit Daphnis en Chloé.

't Is uit. Ik glimlach om mijn prille waan
te menen, dat ik fel heb meegedaan.
Wat is dit nu ook eigenlijk geweest
wel anders dan een kort en simpel feest,
te blazen voor 'n denkbeeldige compagnie,
als ik in vermiljoen de dingen zie?


Pierre Kemp, 11 februari 1940

(gepubliceerd in Phototropen en noctophilen, 1947)


PK in 1940, collage WK



Bril van Kemp


Uit mijn verzameling: het brilletje van de jonge Pierre Kemp, zoals dat ook te zien is op een getekend zelfportret uit de hete zomer van 1911. PK was toen 24 jaar. Het portret is te vinden in mijn biografie van de dichter: Pierre Kemp, een leven. Nijmegen, Vantilt, 2010.

woensdag 30 juli 2014

Culturele parvenu's

Ger Groot in het dagblad Trouw, 29 juli 2014: 

'Vlak voor mijn vakantie naar verre oorden, las ik Wiel Kusters' mooie biografie van Kees Fens, Mijn versnipperd bestaan. Kusters beschrijft meer dan de levensloop van een literatuurpaus. Hij schetst ook uitvoerig de werdegang van het Nederlands katholicisme vanaf de jaren zestig, waarmee Fens, niet altijd tot zijn plezier, nauw verbonden was. En voor de goede lezer portretteert Kusters ook een onzeker mens, die zichzelf soms met beklemde verwondering tot een literaire autoriteit gebombardeerd zag. Totdat hij in de jaren tachtig in Nijmegen... verder lezen

woensdag 23 juli 2014



maandag 21 juli 2014



zaterdag 19 juli 2014

Friesch Dagblad

Vanochtend in het Friesch Dagblad een bespreking van Mijn versnipperd bestaan door Tjerk de Reus.
Het stuk, gebaseerd op grondige lectuur van mijn boek en een interview, is HIER te lezen. 

vrijdag 18 juli 2014

'God was nooit ver weg': de Volkskrant over 'Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008'


Op 21 juni publiceerde de Volkskrant in de bijlage Sir Edmund een recensie van mijn Kees Fens-biografie door Aleid Truijens, plus een kleine voorpublicatie uit mijn boek. Het boek was toen nog niet verschenen en lag pas drie dagen later in de winkel.
Wie Aleid Truijens' bespreking gemist heeft, kan die hier gratis lezen via Blendle.

donderdag 17 juli 2014


Tekening: Paul van der Steen, NRC Handelsblad, 27 juni 2014


Lees de bespreking van mijn Kees Fens-biografie door Jeroen Vullings in Vrij Nederland gratis via Blendle.

woensdag 25 juni 2014

Vannacht live in VPRO's Nooit meer slapen, Radio 1, tussen 00.00 en 01.00 uur, over Kees Fens en meer.
Dit gesprek met Pieter van der Wielen kunt u HIER teruglezen.

vrijdag 13 juni 2014

Poëzie

Want wat wij van de woorden leerden
die wij streelden, die ons deerden,
ligt tussen God en Misverstand
als groot Gelijk - maar het verkeerde.


WK

woensdag 4 juni 2014

Kees Fens-avond op NPO Cultura


Naar aanleiding van het verschijnen van mijn biografie van Kees Fens, Mijn versnipperd bestaan, hebben televisiezender NPO Cultura en npocultura.nl op zondag 22 juni een speciale Kees Fens-avond geprogrammeerd. Vertoond wordt o.a. Hans Kellers documentaire Erfgenaam van een lege hemel. Klik hier voor het complete programma.

Merels en jongens


Nieuwe merels
voor A.M.


Er was een man
die bij elke strofe
die hij hoorde van
de merel
zei
schat schat
en er kwamen weer
nieuwe merels merels
En bij elke jongen
die hij zag op de
fiets of lopend
dacht
en zei hij
beeld beeld
En die man
ben ik zelf

Jan Hanlo
Verzamelde gedichten (Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1958)

Over dit gedicht, over de rol van vogelzang (van merels in het bijzonder) in het werk van Jan Hanlo, en over nog veel meer, schreef ik in En de grote rodekolen en de rode kroten rooien. Jan Hanlo's moedertaal. Rimburg / Roermond, Huis Clos / LCL, 2012.
In gesprek met Joost Wilgenhof, die voor de VPRO een radiodocumentaire maakte over Jan Hanlo, improviseerde ik een uitgebreidere, nieuwe interpretatie van 'Nieuwe merels'. Een beknopte versie daarvan kwam in de documentaire Het beeld van Hanlo terecht.
Mijn commentaar komt hierop neer. De merelzang, vergelijkbaar met de intieme, sterk op klank en expressie gerichte materiële 'moedertaal' van de dichter, wordt in 'Nieuwe merels' beantwoord met een even intiem 'schat schat'. Met betrekking tot de jongens die de dichter ziet lopen of fietsen zijn de woorden ‘schat schat’ taboe: met betrekking tot hen denkt en zegt hij: ‘beeld beeld’. Die woorden, die niet naar horen maar naar zien verwijzen, scheppen afstand. De blik plaatst het geziene, het beeld, tegenover en dus buiten de kijker. Horen is iets anders: voor muziek en geluid geldt dat je erin kunt zijn, zij is niet iets wat als een tegenover kunt ervaren. Muziek raakt je aan.
De jongens waarover het gaat zijn ‘nieuwe merels’, maar ze moeten op afstand blijven, ze moeten beeld blijven. Er dreigt grensoverschrijding. Naar intimiteit wordt door de dichter wel verlangd, maar ze is niet gewenst. ‘Nieuwe merels' spreekt op versluierde wijze over wat niet mag.
Zelf vond Hanlo het gedicht, blijkens een brief aan zijn moeder, toch nog 'te direct. Ik zal mij er misschien mee compromitteren.'

vrijdag 30 mei 2014

Jan Hanlo

Gisteren, op de geboortedag van Jan Hanlo (1912-1969), werd in Valkenburg aan de Geul door burgemeester Martin Eurlings een  monument onthuld ter nagedachtenis van de dichter. De gedenksteen, gemaakt door steen- en beeldhouwer Tycho Flore, ligt vlakbij de plek waar Hanlo  gewoond heeft, in het poorthuisje  van Geerlingshof, dat niet lang na zijn dood aan de slopershamer ten prooi is gevallen.
Stichting Dichter in Beeld, die het initiatief nam tot deze hommage, had mij gevraag voor deze gelegenheid een gedicht te schrijven en dat bij de onthulling voor te lezen.
Het gedicht dat ik voorlas is geïnspireerd door herinneringen aan Jan Hanlo. Aan mijn eerste bezoek aan het poorthuisje, in 1965, en aan een ontmoeting met hem op Allerzielen 1967, toen ik als jongste dichter (ik had in 1965, ik was toen achttien, in het tijdschrift Contour gedebuteerd) mocht deelnemen aan Rimrammen in de Redoute, een soort Poëzie in Carré, maar dan voor poëten in en uit de beide Limburgen in de Stadsschouwburg van Maastricht. In de pauze vroeg Hanlo mij, of hij het gedicht waarmee ik mijn voordracht begonnen was eens mocht lezen. Hij nam het blad met de tekst van mij aan en ging ernaar zitten kijken. Toen ik zijn ogen probeerde te volgen, zag ik dat hij het gedicht op zijn kop hield.
In mijn gedicht speelt ook een rol wat ik las toen ik Hanlo in 1965 in Valkenburg opzocht. Het waren woorden van de vader van de schrijver Jan de Hartog. Die vader was predikant. Hanlo had van hem met potlood deze woorden op de muur van zijn bed genoteerd: 'Het bijzondere van het gebed is, dat het verhoord wordt.' Jan Hanlo, die zeer religieus was, wees mij daarop.
Beide herinneringen vormden de inspiratie voor mijn 'Gedicht dat zich Jan Hanlo herinnert'.  Ze zijn in dat gedicht van betekenis veranderd en hebben nu van alles te maken gekregen met de 'autonomie' van het gedicht, dat in zijn woorden zijn eigen werkelijkheid realiseert, waarmaakt. Maar het spreekt, naar het einde, toch ook van de wanhoop die de eenzame en tragische denker die Jan Hanlo naast veel meer (ik denk aan zijn humor, zijn speelsheid) óók was, blijkens zijn brieven zo dikwijls ervaren moet hebben.

Op zondag 1 juni 2014 zendt de vpro op radio 1 een radiodocumentaire uit over Jan Hanlo. Deze documentaire, Het beeld van Hanlo, is gemaakt door Joost Wilgenhof en begint om 21.00 uur; ze duurt een uur.
Zie ook: Dichter in Beeld voor een verslag, met foto's, van de onthulling van het Jan Hanlo-monument.

Gedicht dat zich Jan Hanlo herinnert

Het merkwaardige van het gedicht
is dat het verhoord wordt
ook als het niets vraagt
tot niemand zich richt

Nog niet geschreven
wordt het door de pen gelezen
en voor afloop en uitleg
naar zichzelf verwezen

Misschien dat jan hanlo
mijn gedicht daarom
op zijn kop hield
toen hij gezegd had
dat hij het wilde zien

Ik denk dat hij zijn eigen luidste vers
op de muur heeft geschreven
de muur van het zwijgen van god
waar geen sloper tegenop –