Hoofdstuk 16 van J.M. Coetzees roman
Disgrace (1999), waarin de hoofdpersoon, David Lurie, in een dierenkliniek assisteert bij het doden van grote aantallen honden die geen verzorger hebben, doet sterk denken aan enkele pagina’s uit
De god Denkbaar Denkbaar de god (1956) van Willem Frederik Hermans, voor wiens fameuze
Nooit meer slapen (Beyond Sleep) Coetzee in de Engelstalige wereld een lans breekt met de woorden: 'A comedy of worldly disengagement trembling on the edge of tragedy, all the more hilarious for being related in Hermans' best poker-faced manner.'
Ik doel op de passage waarin Denkbaar als vorm van straf (ook hij is in ongenade gevallen) te werk wordt gesteld in het ‘hondenasiel, waar hij honden die zonder halsband op straat gevonden waren, moest afmaken in een gaskamer’. (
De god Denkbaar Denkbaar de god, ed. 1970, p. 44 e.v.). Het gaat om grote, steeds grotere hoeveelheden honden, die zo goed en zo kwaad als het gaat in een wagentje met een kooi van ijzergaas erop naar de ovenachtige gaskamer worden gereden en vervolgens naar een stortplaats.
De overeenkomst loopt in het oog, maar het verschil natuurlijk ook. De hoofdpersoon uit Coetzees roman voorkomt dat de dode honden tegelijk met allerlei afval worden verbrand – ‘He is not prepared to inflict such dishonour upon them’ (p. 144) – en brengt ze persoonlijk naar de verbrandingsoven, ‘where he himself loads them, one at a time, on to a feeder trolley through the steel gate into the flames, pulls the lever to empty it of its contents, and cranks it back, while the workmen whose job this normally is stand by and watch'. Zo bewerkstelligt hij niet alleen dat de honden als dode wezens verbrand worden, en niet als afval, maar ook dat de werkmensen niet nog langer doen wat hij ze één keer heeft zien doen: het breken van de poten van de verstijfde hondenlijken door er met de schop op te slaan, zodat ze beter passen in het wagentje passen en er bij de oven gemakkelijker uitvallen. In
De god Denkbaar Denkbaar de god werd het op zeker moment ‘noodzakelijk de honden half dood te slaan, voordat ze in een karretje van ijzergaas konden worden gestopt’.
In zijn artikel ‘Age of Bronze, State of Grace: Music and Dogs in Coetzee’s
Disgrace’ (
Novel, Vol. 34, 2000, p. 98-122) schrijft Derek Attridge, dat David Luries dienstbetoon aan de dode dieren de individualiteit van hun dood markeert en ‘the reduction of dead animals to mere accumulations of matter’ betwist. Zo is het natuurlijk. Maar dat laatste is nu juist wel wat er in
De god Denkbaar Denkbaar de god gebeurt, waarin de materie, in al haar (trans)formaties, de enige werkelijkheid vormt.
Summary In his novel Disgrace, the passage on killing and burning large numbers of dogs who can’t be cared for, J.M. Coetzee calls to the mind of Dutch readers those pages from Willem Frederik Hermans’s ‘absurd’ novel De god Denkbaar Denkbaar de god (The god Thinkable Thinkable the god, 1956), where Denkbaar, as a punishment, in an ‘animal home’, has to kill a never ending stream of dogs (and gradually also other animals) by driving them in a trolley to a gas oven. There is a striking similarity between these passages, though we can also see a meaningful difference. In Hermans’s novel, informed by a materialistic philosophy, matter is all that matters.