Tina Kemp-Mommers:
een van de portretten uit
In Spiegel derLetteren, jaargang 2012, nummer 3, blz. 389-391, verscheen een bespreking
van mijn boek over de dichter Pierre Kemp: Pierre
Kemp, een leven (Vantilt, 2010).
Spiegel der
Letteren is een toonaangevend
tijdschrift voor Nederlandse literatuurgeschiedenis en voor
literatuurwetenschap.
De recensie van Pierre
Kemp, een leven is geschreven door Odile Heynders, hoogleraar in de
vergelijkende literatuurwetenschap aan Tilburg University.
Mijn klompen vielen uit toen ik in de recensie van de
hand van professor Heynders het volgende las:
Opvallend aan deze biografie is dat zij zo alleen op Pierre Kemp, de
persoon en zijn oeuvre is gericht. We komen vrijwel niets te weten van ‘mevrouw
Kemp’ met wie de dichter bijna vijftig jaar getrouwd is geweest en drie zonen
kreeg (Kusters noemt haar in de chronologische opsomming als zij in 1918 trouwt
en in 1962 en 1967 in het ziekenhuis ligt, maar haar sterfdatum is niet eens de
moeite van het vermelden waard.)
Zelf schreef ik in mijn ‘Woord vooraf’ bij de biografie:
Over Tina Mommers, met wie de dichter in 1918 trouwde, is weinig bekend. Het
precieze begin van hun relatie is in nevelen gehuld en over de werkelijke aard
van hun bijna vijftigjarige huwelijksband kunnen we alleen maar gissen. Mevrouw
Kemp blijft helaas een grote onbekende: de dichter liet nauwelijks iets over
haar los en andere bronnen leveren nauwelijks informatie. (blz. 11)
Dit alles neemt niet weg dat mevrouw Kemp-Mommers – naar
alleen al een blik in het personenregister zichtbaar kan maken – op een groot
aantal plaatsen in mijn boek figureert en dat ik op een aantal plaatsen ook
geprobeerd heb iets van haar ‘psychologie’ duidelijk te maken – zoals ik die
bij het schrijven van mijn boek meende te verstaan. Naar aanleiding van Kemps
niet gepubliceerde bundel erotische prozagedichten (De vergulde Madonna), die de basis werd voor de wel gepubliceerde verzameling Carmina matrimonialia, schreef ik
bijvoorbeeld:
Later zal ze Kemps hoofd en hart tot op zekere hoogte moeten delen met zijn
Muzen, zij Inspiratricen. [Dat waren voornamelijk vrouwen die hij als
treinforens had ontmoet en voor en over wie hij gedichten schreef.] Dat moet haar geërgerd hebben en, door een
met de jaren groeiend pantser heen, gekwetst. (blz. 286)
En zo is er nog wel meer, zoals de lezer van mijn boek
zal kunnen vaststellen.
Nog een passage. In december 1954 schreef Pierre Kemp
aan zijn correspondent Jozef Vinken:
Ik, die altijd gedroomd heb van schonen met lichamen als bamboe-boompjes,
gazellenogen en antilopen-lichamen heb in mijn levensgezellin meer een nuchtere
dan poëtische gevonden, die echter met haar 73 jaar nog steeds onze huishouding
volledig waarneemt en meer uitvoert dan alle negen Muzen bij elkaar. Maar zo is
het nu eenmaal in het leven. (blz. 516)
Mijn commentaar hierbij:
Waardering en een gevoel van onvoldaanheid hadden zich tot berusting
vermengd. En het is nog de vraag of Kemps huiselijk leven fundamenteel anders
was geweest wanneer hij in 1918 niet met Tina Mommers in het huwelijksbootje
was gestapt, maar met iemand anders. Ook de vrouwen die zich wél voor zijn werk
interesseerden, zijn Muzen, bleven tot op grote hoogte “anderen” voor hem. Konden
mannenziel en vrouwenziel elkaar wel echt herkennen? Al in 1920 schreef Pierre
Kemp in een tot nu toe onbekend gebleven gedicht met als opdracht “Van den schrijver” in een exemplaar van de tweede
druk van Het wondere lied, dat deze problematiek
onder woorden brengt:
Toen sprak de ziel in ’t vrouwelijk gewaad
En keek naar die met ’t mannelijk gelaat:
‘Weet gij, of iemand met u medegaat,
Waneer zij naast u treedt uw heelen weg?’
[het antwoord van de man:]
‘Dit niet te weten is de grootste pijn;
Te zijn getwêen en toch alleen te zijn
En rondom ’t leven met een schoonen schijn
Van groente en bloesems over boom en heg.’
Bij dit alles blijft mijn opmerking uit het ‘Woord vooraf’
over het weinige dat we van Tina Kemp-Mommers weten overigens even relevant.
‘Maar haar sterfdatum is niet eens de moeite
van het vermelden waard,’ schrijft
mevrouw professor Heynders gepikeerd.
Pardon?
Mijn biografie van de dichter Pierre Kemp eindigt,
afgezien van het ‘Nawoord’, met deze drie zinnen:
Hubertina Kemp-Mommers kon niet bij het afscheid [van haar man
op 26 juli 1967] aanwezig zijn. Zij overleed op 28 september 1973, 91 jaar
oud, in gasthuis Calvariënberg, waar zij volgens het getuigenis van
familieleden tot het laatst een dame bleef, statig, rechtop aan tafel. Zij werd
te rusten gelegd naast haar man. (blz. 658)
Ik twijfel er niet aan of Odile Heynders kan lezen. Maar:
‘haar sterfdatum is niet eens de moeite van
het vermelden waard’. Hoe heeft zij dit kunnen schrijven?
Als handreiking aan de lezer heb ik achterin mijn boek
een ‘Kroniek’ opgenomen: een zeer beknopt overzicht van jaartallen en levensfeiten.
Niet meer dan een aide-mémoire. En
inderdaad, dat eindigt met de begrafenis van de dichter.
Alleen wie dit zeer rudimentaire chronologische
overzichtje belangrijker vindt dan het 662 bladzijden lange verhaal dat ik
daaraan voorafgaand heb verteld, kan schrijven dat ik het vermelden van de
sterfdatum van mevrouw Kemp ‘niet eens de moeite waard’ heb
gevonden. (Let ook op de denigrerende woordkeuze waartoe mevrouw Heynders
zichzelf hier verleidt.)
Het is een vraag die ik mezelf nauwelijks toesta, maar ze
wil er toch uit: zou professor Heynders mijn boek van voor tot achter gelezen
hebben?
Ze leek er in ieder geval niet altijd met haar gedachten
bij. Zo schreef zij ook nog in haar Spiegel-der-Letteren-
recensie:
Ik moest bij het lezen van de biografie vaak denken aan de Memoires van
Kemps generatiegenoot Stefan Zweig (1881-1942), Die Welt von
gestern (1944), waarin de Oostenrijkse
auteur indringend beschrijft hoe de negentiende-eeuwse burgerlijke cultuur van
de zekerheid werd opengebroken [enzovoort].
Ja, een verdomd lastig vak, die literatuurwetenschap. Vóór je het weet zit je te dromen.