(Klik voor vergroting)
donderdag 21 maart 2019
woensdag 27 februari 2019
Biografie van Gerrit Kouwenaar
Gerrit Kouwenaar in 1965
Foto ANP
Na drie eerdere publicaties in boekvorm over het werk van de dichter Gerrit Kouwenaar werk ik voor Uitgeverij Cossee aan zijn biografie.
Vijf essays t.g.v. Kouwenaars zestigste verjaardag, 1983
Proefschrift Universiteit Utrecht (handelseditie), 1986
Voordracht, gehouden aan de Rijksuniversiteit Leiden t.g.v. de officiële opening van de Onderzoekschool Literatuurwetenschap (OSL), 1995
Wiel Kusters & Hans Tentije, Het is zo vandaag als altijd. Voor Gerrit Kouwenaar. Banholt, (In de Bonnefant), 1983.
Verguld bordeauxrood linnen (Binderij Phoenix). (4), 60 p. Met de hand gezet uit de Bembo en de Diotema en gedrukt in een oplage van 75 genummerde exemplaren.
Liber amicorum ter gelegenheid van Kouwenaars 60e verjaardag, met bijdragen van H.C. ten Berge, J. Bernlef, Rein Bloem, Remco Campert, Hugo Claus, Constant (met een mooie tekening ‘Goede Middag, Haan’!), Gérard van den Eerenbeemt, Jan G. Elburg, Hans Faverey, David Kouwenaar (een originele, gesigneerde ets), Wiel Kusters, Jan Kuijper, Lucebert, Kees Nieuwenhuijzen, Cees Nooteboom, Peter Nijmeijer, Bert Schierbeek, K. Schippers, Jan Sierhuis, Pierre van Soest (een handgekleurde tekening), Hans Tentije, Aat Verhoog en Lela Zečković.
woensdag 20 februari 2019
Menno Wigman: Tot zichzelf
'Alleen mijn nagels en mijn haren, / dat is
alles', schrijft Menno Wigman in het gedicht 'Tot zichzelf', dat deel uitmaakt
van zijn 'officiële' debuut, 's Zomers stinken alle steden (1997). Hij
loopt tegen de dertig, de 'gevreesde' verjaardag waarvan sprake is in 'Media
vita', verderop in de bundel. Het dertigste jaar opgevat als het midden van de
levensweg: dat is een omineus gegeven, zeker wanneer we weten dat de dichter,
die op 1 februari 2018 overleed, niet ouder dan eenenvijftig jaar is geworden.
'Alleen mijn nagels en mijn haren, / dat is alles.
En wat dan nog?'
Het zijn raadselachtige regels, die niettemin
onmiddelijk duidelijk maken dat wie hier spreekt zichzelf, althans zijn
lichamelijkheid, behoorlijk relativeert. Er lijkt sprake van een uiterste
reductie, die blijkens de woorden 'En wat dan nog?' met een zekere
onverschilligheid gepaard gaat.
Toch is er voor wie goed luistert nog iets meer
aan de hand dan zeer sterke relativering of (gespeelde) nonchalance. 'En wat
dan nog?' kan ook licht hoopvol klinken als: En wat dan nog meer?
Nog iets anders dan alleen mijn nagels en mijn
haren misschien?
Ik kom daar aan het eind van dit commentaar op
terug.
Eerst maar eens het hele gedicht.
TOT ZICHZELF
Alleen mijn nagels en mijn haren,
dat is alles. En wat dan nog?
Ik groeide op, vermaalde brood,
ontliep drie vaders en leed
niet langer aan de ijle lengte
van momenten. Zo werd ik groot,
zonder de vrijheid na te bootsen,
zonder mijn dromen aan te lengen.
Ik groeide op en hield het kort,
nog steeds de jongen aan het raam
die peinst of alles wat bestaat
verdient dat het te gronde gaat.
Nu, mijn haren zijn de hoop
ontgroeid, mijn nagels splijten
van verwijt en wat rest is stilte,
omsingeld door rumoer van alledag.
Ik ken de waarde van de dood,
niet de prijs, – het gewicht
van een woord, niet dat alles
met de vlakte als ook dit,
mijn haren, mijn nagels, mijn ik.
Een kernbegrip in dit gedicht is groeien:
opgroeien, ontgroeien, grootworden, aanlengen. Maar ook: het kort houden, te
gronde gaan, het splijten van de nagels, met de vlakte [gelijk gemaakt worden].
Als je dat hebt gezien, ontkom je er niet aan ook
de eerste twee regels daarmee in verband te brengen. Zij wekken de indruk dat er allerlei
onuitgesproken gedachten aan vooraf zijn gegaan. Wat blijft er na het bereiken
van de volwassenheid nog groeien? Alleen mijn nagels en mijn haren.
Maar misschien geldt evenzeer de vraag: Wat zal er
na de dood (die in de laatste strofe expliciet ter sprake wordt gebracht) nog
aan of van mij groeien? Geldt ook hier: Alleen mijn nagels en mijn haren?
We weten dat dit laatste onzin is, onuitroeibare
onzin, en dat de veronderstelde visuele aanwijzingen daarvoor zich fysiologisch
laten weerleggen. Maar het blijft een beeld dat tot de verbeelding spreekt; in
poëzie zou het tot metafoor kunnen worden.
Menno Wigman heeft zijn gedicht 'Tot zichzelf'
genoemd: daarmee suggereert hij dat hij het voor zichzelf geschreven heeft. De
titel is een toespeling op een 'aan zichzelf' gericht geschrift van Marcus
Aurelius (121-180), in het Grieks Ta eis heauton, in het Latijn Ad se
ipsum. Filosofische notities, meditaties, gebaseerd op stoïcijnse ethiek.
Van een (poging tot) stoïcijns denken over leven en dood heeft Wigmans gedicht
wel iets in zich, zeker in de laatste strofe.
Na de al enkele keren geciteerde openingsregels
vervolgt het gedicht met een terugblik. Het hier zo centraal geplaatste
opgroeien verliep met toenemende snelheid. Er moesten 'drie vaders' ontlopen
worden. Hoe die vaders te interpreteren zijn, blijft voor wie niet in Wigmans
biografie wil duiken onduidelijk, maar we kunnen denken aan een fysieke en aan
geestelijke vaders (eventueel zelfs pleegvaders). Die vaders is de dichter
'ontlopen', hij is aan hen ontsnapt. En
telkens zó snel kennelijk, dat er onmiddellijk ruimte kwam voor een nieuwe.
Zijn tijdservaring ontwikkelde zich
navenant: hij 'leed/ niet langer aan de ijle lengte/ van momenten'. Verveling,
die de lege tijd uitrekt, werd overwonnen. Vrijheid hoefde niet te worden
nagebootst, omdat ze werkelijkheid werd, en dromen hoefden niet te worden
verdund. ('Aangelengd' zou hier misschien ook nog kunnen betekenen: verlengd.
Dromen hoefden niet op kunstmatige wijze – vergelijk het eerder gebruikte
'nabootsen' – in stand te worden gehouden. Er volgden altijd wel weer nieuwe.)
'Ik groeide op en hield het kort', lezen we aan
het begin van de tweede strofe.
Wat hield 'ik' kort?
Er is in deze regel een tegenstelling gegeven
tussen het natuurlijke groeien en een levenspraktijk die die groei tegengaat.
De haren en de nagels worden kort gehouden. Maar ook het zojuist besprokene
speelt hier nog mee: de kort gehouden, zich eerder nog voortslepende 'ijle',
dus lege, momenten. Ook de kindertijd is kort gehouden, al ziet de 'ik' zich
hier 'nog steeds' als 'de jongen aan het raam/ die peinst of alles wat bestaat/
verdient dat het te gronde gaat.' Iemand met zulke zorgen, dat lijkt al met al
toch wel een wat vroegoude jongen. En onwillekeurig denk je: gaat hij straks
ook het leven kort houden misschien, zoals je een gesprek kort houdt?
'Nu, mijn haren zijn de hoop/ ontgroeid' – welke hoop? dat zij niet 'te gronde'
gaan – en 'mijn nagels splijten / van verwijt'. Broze, splijtende nagels wijzen
op veroudering, en hier misschien dus ook op het besef tekort geschoten te zijn:
een al te snel verlies van jeugdigheid. Er wordt gezinspeeld op een
teruggetrokken leven, 'stilte/ omsingeld door rumoer van alledag.'
En zo komen we uit bij de derde en laatste strofe.
De 'waarde van de dood' kennen, is een stoïcijns aandoende gedachte. De dood
als toestand, en dat is dus wel iets anders dan de dood als proces, welk proces
'de prijs' is die voor de toestand wordt betaald.
Behalve de waarde van de dood kent de dichter
Wigman echter ook 'het gewicht/ van een woord', wat inhoudt dat in zijn visie niet
alles door de dood met de vlakte gelijk gemaakt wordt, zoals zijn haren, zijn
nagels, zijn ik.
Wat blijft – en metaforisch doorgroeit na zijn
dood – is het woord, zeg het gedicht.
Een gedicht als dit.
woensdag 13 februari 2019
maandag 4 februari 2019
Rotonde
F, aan het ronde stuur, zei dat deze plek,
waar we nu kwamen, redelijk ongewoon
was, een rotonde als hier voor ons lag
vond je elders niet; misschien in Londen,
waar alles één keer anders was en bleef.
Wij reden in het rond, de afslag steeds
dichtbij, ‘maar waar?’, draaiden zonder
grond of uitweg en volgden steevast
de verdachte baan, die ons de juiste leek
tot we hem te ontkomen vonden, ‘toe maar’,
en opgelucht de kringloop weer verlieten.
Was het een levensles, te doen wat we
daarvoor niet deden, de rondgang waar we
in beweging stonden, dat we plotseling
ontdromend eindelijk verder konden?
donderdag 4 oktober 2018
Aantekeningen van Jan Hanlo in zijn handexemplaar van de Verzamelde gedichten (1958)
Ter voorbereiding van een aan Jan Hanlo te wijden
tentoonstelling, zomer 2019 in Museum Land van Valkenburg, wanneer het vijftig
jaar geleden zal zijn dat de dichter in Maastricht overleed aan de gevolgen van
een zwaar ongeluk met zijn motorfiets op de Rasberg in Berg en Terblijt,
bladerde ik in het Literatuurmuseum door zijn handexemplaar van de Verzamelde gedichten (eerste druk,
1958). Ik vond er een paar interessante aantekeningen in.
graven
graven
Zo heeft Hanlo in de marge van het gedicht ‘graven’ nauwkeurig
aangetekend welk metrisch schema hij daarin gevolgd heeft. De vier strofen
waaruit het vers bestaat zijn achtereenvolgens opgebouwd uit:
I 5 jamben / 5 trocheeën / 4 trocheeën / 4
trocheeën
II 5
jamben / 5 trocheeën / 4 trocheeën / 4 trocheeën
III 5
trocheeën / 5 trocheeën / 4 trocheeën / 4 trocheeën
IV 5 jamben
/ 5 jamben / 4 trocheeën / 4 trocheeën
Een zuiver formele kwestie dus, die hem kennelijk
voldoende interesseerde om er een aantekening over te maken.[1]
Bij de voorlaatste regel (‘men hoort er ’s nachts de roep der uilen’) noteerde
hij als mogelijk alternatief voor ‘der’: van.
Dit werd ook weer doorgestreept.
Het Riet
Het Riet
In het gedicht ‘Het Riet’ is op zeker moment
sprake van ‘dassen’ met ‘hun witte oogstreep’. Met zwarte balpen schreef Hanlo
naast deze regel: zwarte. Dat is
ongetwijfeld een verbetering wanneer het gaat om de beschrijving van de Ursus meles. Wikipedia: ‘Op de kop lopen
twee brede zwarte strepen, van de snuit via de ogen naar de oren en het
achterhoofd.’
Twee benepen vragen
Twee benepen vragen
Bij het gedicht ‘Twee benepen vragen die al een
twintigtal jaren niet van mij willen scheiden – in het engels’, gebaseerd op
een brief die hij aan Albert Einstein had geschreven met ideeën over de zwaartekracht
(als een vorm van druk in plaats van aantrekking), bedacht hij een alternatieve
formulering voor de regel ‘being objects intercepting pressure’, en wel: being screens that intercept pressure (het
gaat hier over ‘celestial bodies / any substance / and in its peculiar way a
magnet’).
Het woord ‘objects’ wordt hier dus gepreciseerd als: screens: schermen die de druk tegenhouden.
Het woord ‘objects’ wordt hier dus gepreciseerd als: screens: schermen die de druk tegenhouden.
Onder het gedicht schreef Hanlo:
Misschien pleit voor mijn idee dat “aantrekkingskracht”
door geen enkel materiaal te isoleren is.
Als er zulk een materiaal bestond, zou men
gemakkelijk (ook met een magneet) een perpetuum mobile kunnen maken.
Over de natuurkundige interessen van de dichter komt
de lezer van de biografie die Hans Renders over Hanlo schreef, Zo meen ik dat ook jij bent (1998), overigens
in het geheel niets te weten.[2]
Kouwetenendokter
Bij dit misschien wel merkwaardigste van alle
Hanlogedichten noteerde de dichter:
In een brief aan Mai woensdagavond 24-11-49:
23
“kouwe tenen-dokter nee, warme
tenen-dokter. Kouwe, nee warme,
nee kouwe tenen dokter, nee warme
tenen dokter.”
Een brief van Hanlo aan zijn moeder gedateerd
woensdag 23 november 1949 is helaas niet te vinden in de tweedelige Brieven-editie (1989). Veel verder komen
we met deze aantekening dus niet.
Tevredenheidsgedicht
Bij het 'voor J. v. H.', dat wil zegen voor Jacques van Hattum geschreven 'Tevredenheidsgedicht' staat, cursief gezet, een motto:
'In de verbeelding is de werkelijkheid een schim
In de werkelijkheid is de verbeelding een schim'
Boven en terzijde van de titel schreef Hanlo met pen:
de werkelijkheid is de
droom van de droom.
(als men droomt
dan droomt men
de werkelijkheid).
Tevredenheidsgedicht
Bij het 'voor J. v. H.', dat wil zegen voor Jacques van Hattum geschreven 'Tevredenheidsgedicht' staat, cursief gezet, een motto:
'In de verbeelding is de werkelijkheid een schim
In de werkelijkheid is de verbeelding een schim'
Boven en terzijde van de titel schreef Hanlo met pen:
de werkelijkheid is de
droom van de droom.
(als men droomt
dan droomt men
de werkelijkheid).
Jossie
Onder het gedicht ‘Jossie’(‘Jossie lief Jossie.
Klein Jossie. Goed Jossie.’ enz.) schreef Hanlo:
zie Braak 3
juli ’50 fragment
Bert Schierbeek’s
Boek IK bl 57 onderaan
Braak (lief)
Hanlo schreef zijn liefdesgedicht voor Jossie
vroeg in 1950. Zijn verwijzing betreft het
tijdschrift Braak, 1e jaargang nr. 3, onder redactie van Remco Campert, H.R. Kousbroek Jr., Lucebert en Bert Schierbeek.
De passage uit Schierbeeks bijdrage waarnaar Hanlo verwijst, moet Hanlo getroffen hebben als verwant aan zijn ‘Jossie’-gedicht:
tijdschrift Braak, 1e jaargang nr. 3, onder redactie van Remco Campert, H.R. Kousbroek Jr., Lucebert en Bert Schierbeek.
De passage uit Schierbeeks bijdrage waarnaar Hanlo verwijst, moet Hanlo getroffen hebben als verwant aan zijn ‘Jossie’-gedicht:
‘Ik heb je lief, ik heb je hals lief en je ogen
lief en je tenen lief en wat er tussen lief en er boven lief en er onder lief
en ik heb je lijf lief en wat er boven je hoofd staat lief en heb de angel mijn
hart dit mes lief dat ik lief ben mijn hart jouw hart en...’[3]
[1] Over
inhoudelijke aspecten van ‘graven’ heb ik geschreven in het opstel ‘”Wanneer ik
anders was”. Over enkele gedichten van Jan Hanlo’, voor het eerst gepubliceerd
in De eerste stem. Een album voor Kees
Fens. Amsterdam, Querido 1994; herdrukt in Wiel Kusters, Dit nog, ook dit. Essays over poëzie en
proza. Amsterdam, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2012.
[2] Wie hiervoor
belangstelling heeft, kan voorlopig terecht bij mijn artikel ‘Poëzie, fysica en
theodicee bij Jan Hanlo (1912-1969),
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 117 (2001) 1, 342-356.
Raadpleegbaar via https://www.dbnl.org/tekst/_tij003200101_01/_tij003200101_01_0027.php
[3] Terug te
vinden in Bert Schierbeek, Het boek Ik.
Amsterdam, De Bezige Bij, 1969 (vijfde druk), 58.
woensdag 19 september 2018
woensdag 5 september 2018
UITZETTING
Als je niet weet, het lijkt je wel voorgoed,
waar morgen en daarna je bed zal staan -
ik zwijg nog van je taal, hoe je je redt
als zo’n ontplaatst persoon - en lijden moet,
waar morgen en daarna je bed zal staan -
ik zwijg nog van je taal, hoe je je redt
als zo’n ontplaatst persoon - en lijden moet,
omdat je wordt vervreemd van onze wet,
en je een kind bent, door een staat miskend
die vindt dat het niet past dat jij hier bent
en iedereen toch Joden heeft gered,
en je een kind bent, door een staat miskend
die vindt dat het niet past dat jij hier bent
en iedereen toch Joden heeft gered,
zeg dan gerust wat je nu denkt en voelt,
maar duik eerst onder, want dan snappen ze
misschien dat íemand hier het licht moet zien.
maar duik eerst onder, want dan snappen ze
misschien dat íemand hier het licht moet zien.
Kom op dus, Harbers, die het goed bedoelt.
Ja, die principes, ze verraden je.
Zeg onze humanisten na: ‘Ik dien.’
Ja, die principes, ze verraden je.
Zeg onze humanisten na: ‘Ik dien.’
(voor Lili en Howick)
Wiel Kusters
Iets over schommelen aan zee
Schommel aan zee
'De Zee, de Zee...'
Willem Kloos
Willem Kloos
Zo eindeloos deint deze schommel niet.
Steeds trager heen, steeds minder ver terug.
Maar het fijne blijft, dat je de zee steeds ziet;
het perspectief verandert niet zo vlug.
Steeds trager heen, steeds minder ver terug.
Maar het fijne blijft, dat je de zee steeds ziet;
het perspectief verandert niet zo vlug.
Jim moet nog leren hoe je je gewicht
verplaatst, als je graag schommelen blijft.
Dat je eerst moet zitten of je languit ligt
en dan weer andersom. Je stijgt, je drijft.
verplaatst, als je graag schommelen blijft.
Dat je eerst moet zitten of je languit ligt
en dan weer andersom. Je stijgt, je drijft.
Ik zie mijn dochter met haar jongste kind,
de duwtjes die zij geeft. 'Nóg,' roept hij, 'nóg!'
de duwtjes die zij geeft. 'Nóg,' roept hij, 'nóg!'
Vlug overeind – ik ga aan zijn voeten staan
tot waar die reiken in hun verste baan
en laat me raken door dat lieve joch.
Dan steekt van land de wind op. Wind.
tot waar die reiken in hun verste baan
en laat me raken door dat lieve joch.
Dan steekt van land de wind op. Wind.
Dit gedicht schreef ik in eerste instantie voor de
vijfjarige Jim en zijn moeder, mijn dochter Tanneke. Het is dus een zeer
persoonlijk gedicht: Jims naam komt er zelfs in voor, en ik heb niet geschroomd
hier ook het woord lief te gebruiken, hoewel dat in ‘serieuze’, ‘professionele’
gedichten niet hoort, meen ik. Ook zo’n naam, verwijzend naar een bestaande
persoon, lijkt niet te mogen. Maar poëzielezers herinneren zich misschien toch
ook wel uit 'Het innerlijk behang' van Hans Lodeizen: ‘Jim ik zou willen weten/
wat maakt het de moeite waard/ dat je door blijft schrijven’ (in een gedicht
waarin Lodeizen zich richt tot zijn vriend James Merrill). Of de
openingswoorden van Nijhoffs gedicht ‘Fuguette’: ‘Claudien, jij speelt piano’,
refererend aan zijn vriendin Claudine Witsen Elias.
Enigszins verdacht in een gedicht is, zoals gezegd, ook het
woord ‘lieve’, hier: ‘dat lieve joch’. Het geldt als een sentimenteel element,
behalve misschien wanneer de al genoemde Willem Kloos het in zijn sonnet
‘Doodgaan’ heeft over ‘het lieve Dood-zijn’, waarvan men volgens hem niet moet
‘ijzen’.
Het kwam vroeger wel eens voor, dat door
tijdschriftredacties aan dichters werd gevraagd een soort proces-verbaal of een
dagboekje bij te houden van het ontstaan van een gedicht. Ik herinner me zoiets
bijvoorbeeld van Rutger Kopland. Zo ver gaan mijn aantekeningen hier niet. Wel
noteer ik voor de aardigheid een paar dingen die mij bij lezing van mijn
gedicht te binnen schieten. Elementen die ik niet bewust in de tekst heb
aangebracht, maar die voor mij nu wél als kristallisatiepuntjes voor een
interpretatie zouden kunnen dienen.
De verwijzing naar het sonnet van Kloos dat begint met de
regel: ‘De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining’ was natuurlijk een
opzettelijke. Maar over ‘mijn Ziel’ gaat het verder niet. Het tafereel is
eenvoudiger van aard, en de eindeloosheid van de zee wordt geconfronteerd met
de eindigheid van de schommelende beweging van het kind. Of beter: omgekeerd.
Wél blijft de zee daarbij zichtbaar. Jim, op zijn schommelende plankje, moet
telkens opnieuw een zetje krijgen, wil het genoegen blijven bestaan. Voorlopig
is het hem nog niet genoeg. Het moet nog dúren – vandaar dat hij ‘Nóg!’ roept,
‘nóg’. Wat hij in de werkelijkheid waaruit het gedicht is ontstaan precies
riep, weet ik niet meer. Misschien inderdaad wel ‘Nóg!’, als een korte snelle
aanvuring. Misschien wel iets anders. Maar wat dat ‘Nóg!’ in het gedicht mede
is gaan betekenen, is meer, of in ieder geval ook nog iets anders dan wat er zo
enthousiast geroepen werd. ‘Nóg!’ is: ‘Nog eens!’ Maar ook, zoals ik het nu
lees: ik beweeg nog, ik ben er nog. De tijdelijkheid moet worden bestreden.
En dan het ‘liggend zitten’ op de schommel, dat geregeld
nodig is, om de schommel zélf in beweging te houden. De vaardigheid de schommel
hoog op te doen zwaaien door regelmatig je gewicht te verplaatsen. Toen ik aan
het sextet begon, na de eerste acht regels dus, schreef ik intuïtief de woorden
neer: ‘Vlug overeind’. Ik kwam uit mijn stoel, vanuit de zittende positie
waarin ik naar Jim en de zee had zitten kijken. Op die manier schreef ik me,
zou je kunnen zeggen, ín in zijn beweging, zijn situatie.
Opgestaan en naar Jim toegelopen, stel ik me op bij zijn
voeten. Daardoor kan hij mij zachtjes raken, en dat gebeurt ook, al remt het
hem een beetje af. In zekere zin duwt hij een beetje tegen mij, duwt mij
voorzichtig in de richting van de zee, de eindeloze, de tijdeloze.
De ene generatie en de andere. Ik zal hem, als grootvader,
niet heel lang meer zetjes kunnen blijven geven in zijn leven. Daarvoor is zijn
moeder op haar plaats. En plotseling is daar dan ook nog het besef van de wind,
die van land komt, die in zijn rug blaast. De wind, ach, de geest, de kracht,
de tijd die Jim door het leven zal dragen.
maandag 27 augustus 2018
Schoolstraat, Spekholzerheide
Foto: Gemeentearchief Kerkrade
Dit is de wat geheimzinnige foto die mij een dag of tien geleden inspireerde tot het gedicht 'Donderroe': de Schoolstraat in Spekholzerheide, het dorp waarvan de goede Nescio meende dat 'de God van Nederland' ook daar zijn tenten had opgeslagen; zie zijn verhaal 'Dichtertje').
De foto is uit 1928. Wat je ziet is de straat waarin ik in
achttien jaar later geboren ben, in een van de huizen tegenover het hoge gebouw
van de openbare school. Mijn geboortehuis staat er strikt genomen niet op,
omdat het, daterend uit 1914, in 1936-1937 werd afgebroken en opnieuw, maar
volgens een iets ander plan, weer opgebouwd. In dat nieuwe, vervangende huis,
op nummer 14, bracht mijn moeder mij op zondag 1 juni 1947 ter wereld, terwijl
de thermometer buiten meer dan 31 graden wees.
Afbraak en wederopbouw van de huizen in de Schoolstraat
waren noodzakelijk geworden als gevolg van mijnschade, zware en
levensgevaarlijke verzakkingen.
De wonderlijke omstandigheid doet zich dus voor, dat mijn opa, die
als houwer werkte in de steenkolenmijn Willem-Sophia in datzelfde
Spekholzerheide, door zijn ondergrondse broodwinning tegen wil en dank
meegeholpen moet hebben bij de funeste uitholling van de aarde onder zijn huis.
De foto van 'mijn' straat, gezien in 1928, is afkomstig uit
het Gemeentearchief Kerkrade en kwam mij door een zeker toeval onder ogen. Een
gedicht kon niet uitblijven. De foto intrigeert mij hevig, het schrijven heeft
daar niets aan veranderd. Wat gebeurt hier?
Ik heb over het leven in de Schoolstraat al eerder
geschreven. In In en onder het dorp bijvoorbeeld (ondertitel: Mijnwerkersleven in Limburg) en in het voor mijn doen betrekkelijk lange
vertellende gedicht Legende, waarvan ik achteraf een beetje betreur dat ik het niet
heb opgenomen in Leesjongen, mijn in 2017 verschenen verzamelde gedichten. (Er bestaat wel een
afzonderlijke uitgave van en het is ook te vinden in Als kind moest ik een
walvis eten.)
Het meest fascinerende element van de foto is voor mij de
man die op de nok van het schooldak in de weer is met een lange draad. Ik denk
dat hij bezig is met het aanbrengen van een bliksemafleider – met een vergeten
woord: een donderroe.
Het gedicht 'Donderroe' kun je lezen op Het Moment.
donderdag 23 augustus 2018
Schommel aan zee
'De Zee, de Zee...'
'De Zee, de Zee...'
Willem Kloos
Zo eindeloos deint deze schommel niet.
Steeds trager heen, steeds minder ver terug.
Maar het fijne blijft , dat je de zee steeds ziet,
het perspectief verandert niet zo vlug.
Jim moet nog leren hoe je je gewicht
verplaatst, als je graag schommelen blijft.
Dat je eerst moet zitten of je languit ligt
en dan weer andersom. Je stijgt, je drijft.
Ik zie mijn dochter met haar jongste kind,
de duwtjes die zij geeft. 'Nóg,' roept hij, 'nóg!'
Vlug overeind – ik ga aan zijn voeten staan
tot waar die reiken in hun verste baan
en laat me raken door dat lieve joch.
Dan steekt van land de wind op. Wind.
woensdag 22 augustus 2018
Donderroe (gedicht)
Spekholzerheide, Schoolstraat, 1928.
Foto: Gemeentearchief Kerkrade
Donderroe
Maar dat is tot daaraantoe.
M. Nijhoff
Zoals die straat daar plotseling
voor mij ligt, heb ik haar niet gekend,
zo uit het zicht als een vermoeden
van wat geweest is, als wat went
terwijl het zich vervreemdt.
Geen noodzaak om wat eerder was
te hoeden. De straat waarin ik me verstopte,
tolde, rende, ligt in het verlengde van waar
ik sta en kijk
dinsdag 21 augustus 2018
Wat een prachtige poëziebundel is #Leesjongen van @WielKusters . Zou een klassieker kunnen worden, maar dan zal de #typografie op het omslag wel wat distinctie en eigenheid moeten krijgen. Zo'n boek verdient dat. @UitgCossee pic.twitter.com/SWRFRHr3iP— Tastbaar Zichtbaar Boek (@TastbaarBoek) August 15, 2018
maandag 25 juni 2018
Emblema
Slakken zijn niet langzaam. Misverstand.
Ze stuiven over het blad, ik kijk ervan op,
voel zo dichtbij de scherpte van de rand.
In elke wedstrijd ligt de dood op kop,
of je nu kruipt of rent, hij wacht op jou,
lichtjes verveeld of ademloos met kramp,
alsof hij nog iets dringends zeggen wou.
Een waarschuwing, de dreiging van een ramp.
Je hoeft geen mens te worden als een god,
tenzij je er een was. (Haast je dan traag.)
De wereld kan je missen, jij haar niet.
Kijk dus niet achter je, daar rust je lot,
ver antwoord dat voorafging aan geen vraag.
Vlak voor je vind je wat je liggen liet.
zondag 6 mei 2018
Resurrectio
Mijn kleinzoon vraagt:
'Waar was ik toen, was ik
nog dood?' Ik zwijg en
stamel tot ik mijn
gedachtenas verzamel, me
herschik:
'Of je er voor je bent
geweest moet zijn
om te herrijzen, ja, dat
weet ik niet.'
Dat is wel vreemde taal,
hij is pas vijf
en in een wereld die ik
ooit verliet.
Toch gaat hij verder dan
waar ik verblijf.
Nog even onder ons. Vindt
hij misschien
wat ik niet mis, hoewel
ik het verloor?
Wat dat kan zijn hangt af
van het moment
dat hij of jij dit leest.
Wil je me zien?
Je kunt me zoeken langs
dit letterspoor,
tot waar je zelf een
ander bent, me kent.
Wiel Kusters
donderdag 3 mei 2018
dinsdag 24 april 2018
Autobiografische sonnetten: 2
Dichtersbloed
Ik was zeventien en zocht de poëzie
waar ze niet was, in mijn klein leven toen,
de krampjes van elk woord, echolalie.
Wel wortels, maar geen takken, laat staan groen.
Ik werkte in een ziekenhuis als klerk,
de poli van de zenuwarts De Jong.
Daarnaast bezong ook ik de reine berk
(geneurie eigenlijk, met die stijve tong).
Plots stond de dichter Aafjes voor mijn neus.
Ik las hem al, zijn reisverhalen en
Het
koningsgraf, de Voetreis van zijn
roem,
al dat werk, de schaduw van een reus.
Hij moest meteen naar het lab, ik gidste hem
en zag zijn bloed zich in een buisje doen.
Wiel Kusters
Abonneren op:
Posts (Atom)

















