zaterdag 22 maart 2014

Babyfoon

Maar wat wanneer de babyfoon

zich plotseling tegenspreekt?

God was zichzelf

vergeten naar het leek
omdat geen mens meer
met hem waakte, sliep
tot hij zich in zijn evenbeeld
herriep: 

de echo van een kloppend hart

dat zich met mij verbonden had,
maar verder alles wat zich denken liet
met ruis in deze woorden tart.



Wiel Kusters

maandag 17 maart 2014

24 JUNI VERSCHIJNT


Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008

Athenaeum-Polak & Van Gennep
Gebonden met stofomslag en leeslint | 13,5 x 21,5 cm |
596 bladzijden | Omslag Anneke Germers |
ISBN 978 90 253 0383 9 |  NUR 321 | € 34,99


zaterdag 22 februari 2014

Spreek, gedichten, spreek hem tegen;
dat hij leeft dient niet verzwegen.

In memoriam Leo Vroman


Foto: Keke Keukelaar

maandag 10 februari 2014

Kersverse Muiderkring (2)

 
Foto: Jacqueline Huber
Assemblage: Ingeborg van der Enden

Van links naar rechts: Ramsey Nasr, Noraly Beyer, Boris Dittrich, Nelleke Noordervliet, A.F.Th. van der Heijden, Anna Enquist, Adriaan van Dis, Wiel Kusters, Ali B, Jan Terlouw, (achter de deur) Kees van Kooten.

Voor meer informatie over de Muiderkring van Nu, kijk hier.

vrijdag 7 februari 2014

Kersverse Muiderkring (1)


De Telegraaf, 7 februari 2014:

"In de 17e eeuw was het op het Muiderslot, waar P.C. Hooft woonde, een komen en gaan van invloedrijke mensen. Twee eeuwen later werd er een naam voor bedacht: de Muiderkring, hoewel die als zodanig nooit samenkwam. Het slot vroeg zich af hoe zo'n Muiderkring er anno nu zou uitzien.

Voor de catalogus van de tentoonstelling OOG in OOG, die tot en  met 3 november duurde, werd een verhaal geschreven waarin naar parallellen is gezocht, tussen de tijd van toen en nu, mensen die elkaar inspireerden met zang, muziek en vooral gesprekken op niveau. Naast de P.C. Hooft van deze tijd, A.F.Th. van der Heijden, werden Adriaan van Dis, Boris Dittrich, Anna Enquist en Nelleke Noordervliet gegroepeerd. Het publiek mocht de rest van de kring invullen. Uit de bus rolden de namen van Wiel Kusters, Ramsey Nasr, Jan Terlouw, Noraly Beyer en Kees van Kooten. Als publiekslieveling van met name leerlingen uit het voortgezet onderwijs werd Ali B daaraan toegevoegd." 

Kunstenaar Ingeborg van der Enden maakte een assemblage van de nieuwe Muiderkring, die een plaats krijgt in de Ridderzaal van het Muiderslot, tegenover de in 1852 door J.M. Kruseman geschilderde assemblage van de vroegere Muiderkring.



donderdag 30 januari 2014

Gedichtendag 2014

Brief in een nachtkastje gevonden

Het was een zomerdag, een slap begin
voor een gedicht dat me verwonden wil.
Maar niets zo onbedaarlijk als de spin
die in haar web zit. Dus ik houd me stil.

Je kwam van ver, pas nu zie ik de draad
waarlangs je leven zich toen leiden liet
naar waar ik nooit meer op mezelf besta.
Onzichtbaar worden, nee ik kon het niet.

Ik zou willen zeggen dat de aarde beefde,
de bomen schudden, struiken struikelden,
de hemel zon en maan tot botsen bracht,
dat onontwarbaar werden dag en nacht.
Dan kon ik menen dat ik huichelde
of vragen: 'Weet je of ik toen nog leefde?'


Wiel Kusters

Geschreven voor Stichting Dichter in Beeld

Voor een interpretatie, door Huub Beurskens, KIJK HIER








zaterdag 11 januari 2014

Leonie Cornips, bijzonder hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan Maastricht University, schrijft vandaag in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad over dialectverbod en de geur van oude-mannensokken. 

vrijdag 3 januari 2014

Dagblad De Limburger en het journalistieke fatsoen

De hoofdredactie van Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad geeft vandaag commentaar op wat zij voor het gemak wil zien als een 'rel' tussen A.H.J. Dautzenberg en mij. De verantwoordelijkheid van de krant zelf laat ze onbesproken. Maar dan ook volledig. En dat is laf. 

Juist over die verantwoordelijkheid van de krant ging mijn Open Brief van gisteren. (zie hieronder) De hoofdredactie kan nu wel stellen dat ik 'terecht ontdaan' ben over Dautzenbergs leugens over mij (het woord 'leugen' kreeg ze gisteren nog niet over de lippen, toen ging het verdoezelend over 'fictie' – er is dus wel énige vooruitgang zichtbaar), maar zij weigert zichzelf te zien als hoofdveroorzaker van de ontstane publicitaire ellende. Had zij haar taak en opdracht vorige week serieus genomen, dan had zij Dautzenbergs leugenachtige stuk vóór publicatie als zodanig doorzien en niet in deze zieke vorm, die de grenzen van het journalistieke fatsoen verre overschrijdt, aan de openbaarheid prijs gegeven. De redactie van De Limburger / Limburgs Dagblad heeft hier enorm geblunderd, met reputatieschade van mij en van de krant als resultaat. (Dat de krant ook zelf niet ongeschonden uit deze strijd te voorschijn komt, blijkt zonneklaar uit de talrijke adhesiebetuigingen die ik ontving naar aanleiding van mijn Open Brief, die alleen gisteren al door bijna 700 mensen in Limburg en daarbuiten gelezen is.)

De hoofdredactie van De Limburger / Limburgs Dagblad heeft nog steeds niet in de gaten dat haar journalistieke blunder ­ ­– toelaten dat fantasten zich met hun verzinsels meester maken van de krant – verstrekkende implicaties heeft voor haar betrouwbaarheid en ook na vandaag nog veel los zal maken. Daartoe hebben ook de ridicule defensieve uitlatingen van adjunct-hoofdredacteur Brinkman voor de microfoon van L1 het nodige bijgedragen. (Daarover meer in mijn Open Brief van gisteren.)

Aan het eind van haar vandaag gepubliceerde commentaar schrijft de hoofdredactie van Dagblad De Limburger, dat Limburg met het oog op de toekomst ook kritisch naar zichzelf moet durven kijken. Dat is volgens haar de stelling (opzienbarende stelling!) die door medewerker Dautzenberg in zijn hogere wijsheid werd verkondigd.
Het zou mooi zijn geweest als ook de hoofdredactie in deze affaire kritisch naar zichzelf had durven kijken. Ruiterlijke erkenning van haar fout, van wat gewoonweg een journalistieke doodzonde moet heten, had haar gesierd. Maar zelfkritiek is bij De Limburger / Limburgs Dagblad onbestaanbaar en van excuses heeft men daar nog nooit gehoord.

Die Limburgse hoofdredacteuren: ze lijken de pastoor en de burgemeester van vroeger wel. 

donderdag 2 januari 2014

Voor mijn mondelinge reactie (zojuist bij L1-radio) op de krantenkwestie, ga naar:
http://www.l1.nl/audio/kusters-ontevreden-over-uitleg-kranten-wiel-kusters-2-jan-2014
Open brief aan de hoofdredactie van Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad

Geachte heren Brinkman en Paulissen,

De minimale 'verantwoording' die u vandaag, 2 januari, op cultuurpagina B10 van Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad liet afdrukken bij een ingezonden brief over het artikel van 31 december 2013 in de serie over de toekomst van de cultuur in Limburg, wordt in uw troosteloze poging de kool en de geit te sparen hevig ondergraven door het commentaar dat de heer Brinkman gisteren op de affaire gaf via nieuwszender L1.

De heer Brinkman, die in een telefoongesprek met mij nog had aangegeven het als een journalistieke fout te zien dat op zijn redactie niet was opgemerkt dat het stuk van de heer Dautzenberg aperte verzinsels bevatte die als feiten (zogenaamd letterlijke citaten uit mijn boek In en onder het dorp) werden gepresenteerd, vertelde later voor de L1-microfoon doodleuk dat de bijdrage van medewerker Dautzenberg een 'literaire' bijdrage was. Daar was hij achter gekomen doordat de heer Dautzenberg hem dat achteraf had gezegd. Let wel, pas nadat ik (niet de redactie dus) het lezersbedrog had gesignaleerd en bij de hoofdredactie aan de bel had getrokken. Had ik de hoofdredactie niet ter verantwoording geroepen, dan was er in het geheel niets gebeurd en waren de lezers van de beide kranten (die een kwaliteitsstatus nastreven...) volstrekt onkundig gebleven van het feit dat het gewraakte stuk een met leugens en hersenspinsels doorspekte rancuneuze fantasie van Anton Dautzenberg was, met als beoogd zij-effect het toebrengen van reputatieschade aan ondergetekende. Een onrechtmatige daad kortom.

De hoofdredactie van de 'kwaliteitskranten' die op dit moment moord en brand schreeuwen omdat ze vrezen tot huis-aan-huisblaadjes te worden gedegradeerd ('Stop de moord op het Limburgse woord'), die hoofdredactie is druk bezig zélf de positie van haar kranten te ondergraven.
De heer Brinkman noemt 'literair' wat volstrekt niet literair is en weet daarbij het gezicht kennelijk strak in de plooi te houden. Om te huilen. Luisteraars en lezers schateren het uit: kon de heer Brinkman niks beters  verzinnen als hij dan tóch niet met de billen bloot wilde?

Maar het werd nog erger. De hoofdredactie van DL en LD waren eigenlijk heel tevreden met het stuk, zei Brinkman. Het vermengen van feiten en fictie, zeg maar gewoon waarheid en leugen, werd wel meer 'gebruikt'. Ja, in Privé en in Boulevard en noem maar op. Maar ook in een kwaliteitskrant, eh..., een krant..., een krant die geen blaadje wil worden...?
Het vermengen van feiten en fictie was ook in Dautzenbergs stuk 'wel gelukt', stelde de heer Brinkman tevreden vast. En wat stelde hij ten slotte ook nog? Dit is wat hij zei:
Had hij van tevoren geweten dat er verzonnen citaten in dat door DL en LD gepubliceerde stuk stonden, dan had hij dat in een toelichtinkje  erbij laten zetten, zodat de lezer 'zelf zijn oordeel kon vellen.'
O, zo zit dat! De hoogwaardige journalistieke toekomst van Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad is er dus een waarin de lezer zelf maar het verschil moet zoeken tussen feiten en fictie, waarheid en leugen, in door de redactie als mogelijk onbetrouwbaar aangemerkte artikelen die zij publiceert.
Ik geloofde mijn oren niet.
Weet u, heren, weet u lezer, wat ik vind?
Als dit de redactionele lijn wordt, kunnen die twee Limburgse kranten voor mij door het putje.
En ik zeg u: daar is geen woord fictie bij.

Wiel Kusters






vrijdag 29 november 2013

De eerste dode

Mijn gedicht 'Kniettewies' (Krijtwit) uit de bundel Als kind moest ik een walvis eten is door Jos Bruls op muziek gezet. May Quaedflieg zingt het op Youtube. 
'Kniettewies' vertelt het verhaal van mijn grootmoeder, Ida Palm, en mijn herinneringen aan haar. Zij werd in 1888 in Simpelveld geboren als dochter van de dagloner Michiel Palm op de dag dat deze stierf - zonder haar te hebben gezien. Ik heb daarover geschreven in de verhalenbundel De onweerzitting en, kort, ook in In en onder het dorp.

Klik hier

vrijdag 18 oktober 2013


 
 
Door een wonderlijke geest ben ik genomineerd voor het lidmaatschap van ‘de Muider Kring van nu’.

Ja, er gebeuren vreemde dingen in de wereld.

Mijn nominatie is geschied in het kader van een historische tentoonstelling op het Muiderslot, de voormalige woonstede van de dichter en geschiedschrijver P.C. Hooft (1581-1647).

Wikipedia:

Hooft was drost en kastelein van Muiden, baljuw van Naarden en Gooiland en hoofdbaljuw en dijkgraaf van Weesp, Weesperkarspel en Hoog-Bijlmer. Hij woonde gedurende 40 jaar in het Muiderslot, bij het huidige Muiden Vesting.

Mede dankzij Hooft's toedoen was het Muiderslot een plek geworden waar kunstenaars en geleerden geregeld bijeenkwamen. Om het sociale en culturele leven aldaar te stimuleren werden bijzondere mensen geïnviteerd, die veelal geïnteresseerd waren in literatuur en wetenschap.

Zo ontstond de Muiderkring, al moet bij deze benaming - uit de 19de eeuw - worden bedacht dat hier eerder sprake was van incidentele ontmoetingen dan van geregelde samenkomsten.

Waarschijnlijk ligt niemand wakker van de vraag wie die 'Muider Kring van nu' zullen gaan vormen. Maar nu ik toch eenmaal op de lijst sta van mogelijke Muiderkringleden, te midden van Ian Buruma, Midas Dekkers, Robbert Dijkgraaf, Corine de Ruiter, Henk Pröpper en Inez Weski, zou het wel leuk zijn wat stemmen te vergaren.

Wie wil kan op mij ‘klikken’: Verkiezing Muiderkring

 

 

zondag 15 september 2013


Vanmiddag onthulde wethouder mr. Peter Thomas in de Botanische Tuin, Kerkrade, een hardstenen plaquette met mijn kleine gedichtenreeks 'Carbone notata' (uit De gang, 1979): Met (steen)kool geschreven - een in memoriam voor mijn vader, grootvader en zoveel andere mijnwerkers.

Misschien dat de letters zich langzaam met mos zullen vullen. Mijn gedicht wil plant worden, stel ik me voor. (Zoals de planten uit het Carboon onder tijds- en aardedruk versteenkoold zijn.)

vrijdag 13 september 2013

Tonie Ehlen


Vandaag neemt de concertpianiste Tonie Ehlen na 37 jaar afscheid van het Maastrichts Conservatorium, tegenwoordig: Conservatorium van Hogeschool Zuyd.
Ik krijg al sinds 1966 muziekles van haar, als luisteraar wel te verstaan. Zij, de muziek en ik - wij gaan door.



Tonie Ehlen op tekeningen van de kunstenaar Toon Teeken, © 1986.
Foto Tonie: Frits Widdershoven.

maandag 2 september 2013

Stenen bloem

De Gemeente Kerkrade heeft me verrast met het voornemen een van mijn gedichten, uitgehakt in steen, een plaats te geven in de Botanische Tuin te Terwinselen, vlakbij Spekholzerheide, het dorp van mijn jeugd. Over die bijzondere openbare tuin en zijn relatie met de geschiedenis van de Limburgse steenkolenmijnen heb ik geschreven in In en onder het dorp. 
De onthulling vindt plaats op zondag 15 september. Lees meer...

dinsdag 20 augustus 2013

Koukou

'Ik hou van koukou.'

"Van cacao bedoel je?"

'Ja nee koukou.'

"Hoe schrijf je dat?"

'Ja je zegt koukou, maar je schrijft chocolademelk.'

zaterdag 6 juli 2013

Jims speeltje en opa's Teken van Verdienste van de Stad Maastricht


5 juli 2013, met dank aan burgemeester Hoes en het gemeentebestuur van Maastricht

Het Teken van Verdienste is gemaakt door de kunstenaar Hans van der Weijden

dinsdag 2 juli 2013

Grenzenloos


Chapeau Cultuur, de L1-rubriek over kunst en cultuur in de Euregio Maas-Rijn, over de stand van zaken met betrekking tot het project Maastricht Culturele Hoofdstad 2018.
Hier te bekijken de uitzending van 28 juni 2013; vanaf 16'20" een gesprek van Ludo Diels met WK naar aanleiding van In en onder het dorp. Mijnwerkersleven in Limburg.

Herlevend mijnverleden


Veertig jaar stond hij stil, de ophaalmachine in het schachtgebouw van de steenkolenmijn Oranje Nassau I. Afgelopen zondag kwam er weer beweging in. Tot ontroering van de oud-mijnwerkers die het aanschouwden. Lees verder...

Zie ook: Herlevend mijnverleden in Heerlen


zondag 30 juni 2013

Waar is Dan Brown?


Kassa Bruna Maastricht, 28 juni 2013

vrijdag 28 juni 2013

Sporen


Ondertunneling A2 bij Maastricht, zuidelijke richting.

Compositie


Ondertunneling A2 bij Maastricht, noordelijke richting.

Kienholz was here


Voormalige garage, Scharnerweg, Maastricht.

donderdag 20 juni 2013

Potje trots

Onlangs postte de publiciteitsmedewerkster van een grote literaire uitgeverij een tweet die begon met de woorden: "Ik ben me toch een potje trots...', waarna achter een dubbele punt de reden van die trots werd genoemd.

Wat een merkwaardig Nederlands kwetterde daar uit de burelen van deze voorname uitgever.

Bedoelde de tweetster ons te melden dat ze een "trots potje" was? Nee, want dan had er een komma achter "potje" gestaan, waarna de elliptische structuur van de zin zich kon laten verklaren uit de telegramstijl die aan veel twitterberichten eigen is.

Op internet las ik dat de voetballer Ronald Koeman "trots" was "hoe ze" na een gewonnen wedstrijd "in het potje waren gebleven".
 Ook kun je op het web berichten tegenkomen over peuters die "trots" op het "potje" zijn gegaan.

Prachtige gevallen van intertekstualiteit eigenlijk.

Kerkraads liedje zonder muziek

Verlós

Iech wees woa iech waas:
mit de vus in ’t jraas,
’t rent, iech weëd naas.

Iech wees woa iech sjtoa.
Nit mieë hei, nog nit doa:
zoeë loof iech diech noa.

Iech wees woa iech bin
wen iech miech zelver werm ving
mit mieng erm um diech hin.

Iech wees woa doe ligks,
boese oam noa miech riks
oes ’t lit datste briks.

nu de strofen in omgekeerde volgorde
(met hier een daar een kleine tekstvariant):

Iech wees woa doe ligks,
oane oam noa miech riks
oes ’t lit datste briks.

Iech wees woa iech bin
wen iech miech zelver werm ving,
dieng erm um miech hin.

Iech wees woa iech sjtoa.
Nit mieë hei, nog nit doa,
noe ren miech doch noa.

Iech wees wie iech waas:
mit de vus in ’t jraas,
doe reëns, iech weëd naas.


© 2013 Wiel Kusters

M.b.t de titel: ‘verlós’ is verlies, maar ook klinkt het woord ‘verlos’ hier mee (ziech op inne verlosse; óp dem is ummer verlos enz.: op hem of haar kun je altijd rekenen.)
Een liedje over verlies en (de hoop op) herstel dus.




dinsdag 18 juni 2013

Zomerdag

Het was een dag met zoveel zon
dat ik niets onthouden kon.

De hemel leeg
en strak en blauw
en zonder kreuk
of vouw.

Niets dan licht,
geen wolkje,
overal dolkjes
van de zon.

Er viel geen schaduw
te noteren, geen streepje
van een tak.

Zelfs de boom
waaronder ik stond,
onthield zich niet,

onthield mij niet.

Ik wist alleen nog wie ik was
bij het doen van een plas.


Wiel Kusters
Velerhande gedichten. Amsterdam, Querido, 1997.

zondag 16 juni 2013

Zondag 30 juni herhaalt VPRO BOEKEN (Ned. 1, 11.20 uur) het gesprek van Wim Brands met mij over In en onder het dorp. Mijnwerkersleven in Limburg.

dinsdag 11 juni 2013

'Iedereen binnenlaten,/ wie er ook komt'.

Veertien gedichten van Hans-Ulrich Treichel, waaronder het hier eerder gepresenteerde 'Inzicht', op HET MOMENT.

maandag 10 juni 2013

Kafka, muizen, Spitzel

Op 3 december 1917 schreef Franz Kafka aan Max Brod over zijn angst voor muizen.

‘Das was ich gegenüber den Mäusen habe, ist platte Angst. Auszuforschen woher sie kommt ist Sache der Psychoanalytiker, ich bin es nicht. Gewiss hängt sie wie auch die Ungezieferangst mit dem unerwarteten, ungebetenen, unvermeidbaren, gewissermassen stummen, verbissenen, geheimabsichtlichen Erscheinen dieser Tiere zusammen, mit dem Gefühl das sie die Mauern ringsherum hundertfach durchgraben haben und dort lauern, dass sie sowohl durch die ihnen gehörige Nachtzeit als auch durch ihre Winzigkeit so fern uns und damit noch weniger angreifbar sind.’

Ik las deze brief in het fascinerende boek Ist das Kafka? 99 Fundstücke (Frankfurt am Main, S. Fischer Verlag, 2012) van de Kafkabiograaf Reiner Stach. Daarin staat ook nog een iets eerder geschreven brief aan Felix Weltsch, waarin Kafka het nachtelijke verkeer van muizen in zijn kamer op fobische wijze beschrijft.

Zijn (nachtelijke) angst voor muizen hangt volgens Kafka net als de angst voor ongedierte samen met het 'onverwachte, ongevraagde, onvermijdelijke, tot op zekere hoogte stomme, verbeten, met geheime bedoelingen geladen verschijnen van deze dieren, met het gevoel dat ze de muren aan alle kanten om je heen honderdvoudig doorgraven hebben en daar zitten te loeren’.

Van de angst voor ongedierte in de zin van insecten getuigt op een geheel eigenwijze Kafka’s verhaal Die Verwandlung. Muizen spelen een hoofdrol in Josefine, die Sängerin oder das Volk der Mäuse. (Ik schreef eerder hierover op deze blog). Dat zijn heel directe verbanden. Maar, dacht ik, terwijl ik die twee schitterende brieven las, worden de muizen hier niet ook beschreven in termen van verklikkers, spionnen, afluisteraars? Van Spitzel? Hun ‘geheimabsichtliches Erscheinen’, hun komst ‘onder de muren door’, hun angstwekkende ombestemde kleinheid. En is dat dan niet ook te associëren met bijvoorbeeld die mannen die aan het begin van Der Prozess Josef K. komen arresteren? K. ligt op bed en wacht op zijn ontbijt. ‘Sofort klopfte es und ein Mann, den er in dieser Wohnung noch niemals gesehen hatte, trat ein.’ En er lijken meer indringers te zijn, want nadat de vreemde man iets ‘belastends’ (‘Er will, dass Anna ihm das Frühstück bringt’) tegen een kompaan heeft gezegd die vlak achter de deur lijkt te staan, lezen we: ‘Ein kleines Gelächter in Nebenzimmer folgte, es war nach dem Klang nicht sicher, ob nicht mehrere Personen daran beteiligt waren.’

Wat Kafka’s insectenfobie betreft: het is frappant dat het woord Wanze, wandluis, maar ook aanduiding voor een ‘walgelijk individu’, tevens het woord is geworden voor afluisterapparaten.

'Lieber Max nur Zufall, dass ich erst heute antworte und eben auch die Zimmer- Licht- und Mäuseverhältnisse.' Enz.
Dank aan Ewout van der Knaap voor de leestip.

Poëzie van de jaren zeventig


'Naturaleza muerta'
en
'Notities over ik'

uit Raster 15 (1980)
opnieuw gepubliceerd
in

vrijdag 7 juni 2013

Tobias en de vis


'In 2001 publiceerden Huub Beurskens en Wiel Kusters in het tijdschrift Tirade een poëtische vierspraak onder de titel Tobias en de vis. (...)'
Zie verder:
http://www.bijbelencultuur.nl/bijbelboeken/tobit/6/2/tobias-en-de-vis

woensdag 5 juni 2013

Ik loop over straat en opeens is er deze zin, die een regel uit een gedicht zou kunnen zijn:

Mijn hart klopt voor eeuwig te laat.

Waar komen die woorden vandaan, ongewild, ongezocht? Niet te achterhalen uit welke denk- en gevoelsinhouden van vandaag (vannacht? gisteren? gisternacht? eergisteren?) ze zijn voortgekomen.
Zou het, in een gedicht, een goede regel zijn? Geen idee, dat hangt van het gedicht af en dat bestaat (nog) niet.
Andere vraag: wat betekenen deze woorden in deze samenhang en deze volgorde?
Beter: wat kúnnen ze betekenen?

Mijn hart klopt voor eeuwig te laat.

Deze vreemde, melancholieke, ouderwets en zelfs wat sentimenteel aandoende zin fascineert me.
Klopt ‘mijn hart’ te laat om ‘eeuwig’ te kunnen zijn (‘voor “eeuwig” te laat’)? Heeft het de eeuwigheid al onmiddellijk verspeeld toen het begon te kloppen? Dat wil zeggen: kwam het met zijn tikken (als een klok) ‘te laat’ (hier in feite hetzelfde als ‘te vroeg’) om deel uit te kunnen maken van de eeuwigheid, die tijdloos is.

Andere mogelijkheid: ‘mijn hart klopt “voor immer en altijd” te laat’. Voorgoed dus. Er is dan iets wat het nooit meer zal kunnen inhalen. Maar wat vreemd is dat. Een paradox. Hoe kan er voor de eeuwigheid nu iets te laat komen? Dat ‘te laat’ bevindt zich dan áchter de (tijdloze) eeuwigheid. Dat is moeilijk denkbaar.

Maar nu. Ik schrijf dit op en plotseling schiet mij deze titel van S. Vestdijk te binnen: Het eeuwige telaat. Dat boek, een ‘dialoog over den tijd’ uit 1946, zo lees ik in een bibliografie, staat niet in mijn kast en heeft daar ook nooit gestaan. Gelezen heb ik het niet. En aan de schrijver ervan, Vestdijk dus, heb ik de afgelopen dagen, weken, maanden bij mijn weten (!) geen enkele keer gedacht.


Ik móet dat boekje nu lezen. Voor het te laat is.

Cupido dubitans en Einsicht: een inzicht


In mijn bundel Zielverstand (Amsterdam: Querido, 2007) staat het gedicht 'Cupido dubitans', dat naar ik uit lezersreacties kan opmaken een zekere populariteit kent. 
Op YouTube lees ik het voor.

Cupido dubitans

Soms mis je iemand
zoals een pijl die zich vergist
en dus het hart niet raakt.
Dat heet missen, niet gemis.
Gemis is kijken naar de pijlen in je hand.

Onlangs kwam ik bij de Duitse dichter Hans-Ulrich Treichel, die ik heel graag lees, een gedicht tegen dat mij naar gedachte en toon sterk verwant lijkt aan 'Cupido dubitans'. Die verwantschap vind ik ook in andere gedichten van Treichel.
Hier is het gedicht dat ik bedoel:

Einsicht

Noch ist alles möglich.
Wir haben uns flüchtig gestreift.
Der Rest: wahrscheinlich tödlich.
Die Kunst: dass man es begreift.

Wir sollten es dabei belassen.
Ein Hauch ist fast wie ein Kuss.
Sich lieben heisst auch sich verpassen.
Auf andere Art. Und Schluss.

(Gespräch unter BäumenGesammelte Gedichte. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 2002)

Natuurlijk heb ik het willen vertalen. 
Een vertaling is een benadering, geen 'samenvallen met'. Maar dit is dan het resultaat van het 'flüchtig streifen' van twee gedichten en twee dichters.

Inzicht

Nu is alles nog mogelijk.
We hebben elkaar vluchtig geraakt.
De rest: waarschijnlijk dodelijk.
De kunst: dat je verzaakt.

Misschien moet het hier maar bij blijven.
Een vleugje is bijna een kus.
Liefde is ook: niet beklijven.
Maar anders. En dus.




maandag 3 juni 2013

Mijn hieronder besproken boek Ik graaf, jij graaft, is HIER gratis te downloaden als e-book.


Een betrouwbare gids in een vrij ontoegankelijk landschap

door PETER DE BOER − 21/07/95
Trouw

RECENSIE Wiel Kusters: Ik graaf, jij graaft. Aantekeningen over poëzie. Querido, Amsterdam; 208 blz.
Zowel op de korte als op de lange baan betoont Kusters zich een heel nauwkeurige en interpretatief slagvaardige lezer. Hoewel essayistische invallen en entrefilets niet ontbreken, blijven zijn stukken toch altijd een enigszins docerende toon houden. Hij heeft iets van een ernstige, niettemin montere didacticus, die zijn lezers tot in de titel van zijn bundel lijkt aan te sporen om actief deel te hebben aan het hier geboden poëticale spitwerk.
Laat ik hier onmiddellijk aan toevoegen dat die titel in de eerste plaats verwijst naar een veel duisterder dimensie van het werkwoord 'graven'. Het is een aanhaling uit een gedicht van de Joods-Roemeense dichter Paul Celan, waarin de regel voorkomt: “Ik graaf, jij graaft en ook graaft de worm”. Celan overleefde de holocaust en zag een groot deel van zijn familie en vrienden aan de nazi-terreur ten slachtoffer vallen. Zijn poëzie staat geheel in het teken van vernietiging en dood, geeft stem aan wat zwijgt, evoceert de existentiële Leegte-na-Auschwitz.
Zo de mens nog iets is, zo vat Kusters de kern van het zojuist aangehaalde gedicht samen, dan toch niet meer dan 'de worm die hem zal vreten'. God is in dit emotionerende gedicht een onmachtige, verre God, een aanwezige afwezigheid. De eerste strofen van dit huiveringwekkende gedicht luiden:
“Er was aarde in hen, en / zij groeven / Zij groeven en groeven, en zo verliep hun dag, hun nacht. / En zij loofden niet God, / die dit, zo hoorden ze, allemaal wist. / Ze groeven, vernamen niets meer: / ze werden niet wijs, verzonnen geen lied, / bedachten generlei taal. / Ze groeven.”
Kusters wijdt drie uitstekende essays aan de fascinerende maar moeilijke poëzie van Celan. Mét de vier beschouwingen over Faverey behoren zij tot het beste dat 'Ik graaf, jij graaft' te bieden heeft. Hij is zeer goed thuis in het werk van deze hermetisten en slaagt er telkens in om zijn bevindingen glashelder te formuleren. Hij noemt Faverey onomwonden “de enige Nederlandse dichter misschien met wie Paul Celan een zekere verwantschap vertoont”.
Daar is, gezien de essentiële rol van het niets en de leegte in hun werk, inderdaad veel voor te zeggen. Maar de existentiële achtergrond van waaruit zij gedicht hebben, verschilt natuurlijk aanzienlijk. Bij Celan is het tot bloei brengen van het zwijgen, van het vernietigde, al is het 'maar' de bloei van 'De niemandsroos' (zoals een van zijn bundels heet), vanuit zijn biografie te begrijpen.
Maar waar komt Faverey's obsessie voor het vernietigen, het onstoffelijk en leeg maken van de werkelijkheid nu precies vandaan? Het antwoord moet, denk ik, luiden: uit zijn idealistische hang naar een soort eeuwigheid die primair op taalspel is gefundeerd. Dat is dan toch iets heel anders dan de in wezen realistische impuls van waaruit Celan dicht. Het is jammer dat Kusters op deze kwestie niet nadrukkelijk ingaat. De behandeling ervan zou een helderder licht kunnen werpen op het tegenwoordig alom gerespecteerde, maar daarom nog niet per se alom geliefde werk van Hans Faverey.
Vernietiging - in woorden uiteraard - als ultieme scheppingsdaad is het centrale motief van veel van Kusters' beschouwingen. Vanuit deze optiek zegt hij ook behartenswaardige dingen over de ingewikkelde destructieve poëtica van Paul Rodenko en over het onstuitbare in elkaar overvloeien van dood en leven in de gedichten van Achterberg. Het doorwrochte essay 'Tweeërlei eeuwigheid' dat hij aan de laatste wijdt, wekt een beetje de indruk van oude wijn in nieuwe zakken, maar is zo scherpzinnig geschreven dat ik me er toch aan overgeef.
Achterberg komt ook nog aan bod in een nauwelijks twee pagina's tellende schets over zijn gedicht 'Graf'. Dit vers, dat in woorden een sfeer van berusting uitspreekt, wordt op grond van een minieme, maar afdoende klankanalyse door Kusters ontmaskerd als opdringerig, obstinaat en verstikkend. Close reading van de beste soort: spitsvondig, pregnant en overtuigend.
Sowieso vind ik dat Kusters zich in de interpretatieve sfeer zelden vergaloppeert. Hij is daarvoor eenvoudig te intelligent en te degelijk. Hij maakt wel eens uitstapjes naar de klassieke en bijbelse mythologie die mijns inziens vergezocht zijn, maar die vormen nooit de hoofdpijlers van zijn beschouwingen. Hij mag daarom met recht een betrouwbare gids genoemd worden in de meer hermetische, ondoordringbare regionen van het poëtische landschap.
Maar evenzogoed voert hij zijn lezer langs, bijvoorbeeld, het door en door vertrouwde kustgebied van Gorters Mei (in een voortreffelijk stuk getiteld 'Liedren als zuilen') en blijkt hij in staat daarin nieuwe vergezichten te openen.
Poëzieliefhebbers die nog een plaatsje in hun koffer over hebben, kan ik dit boek dan ook van harte ter lezing in de vakantie aanbevelen. Wie ook essaybundel 'Intimiteit onder de melkweg' (1994) van Herman de Coninck nog in zijn bagage kwijt kan, krijgt daarmee een tamelijk compleet en inspirerend beeld van hoe er op dit moment door verschillend geaarde dichters-essayisten tegen de poëzie wordt aangekeken. En de 'Mei', tot slot, kan er dan ook nog wel bij. Zo komt Jan Dromer door de zomer.

vrijdag 31 mei 2013

Mijnkolonie

Op de benauwde binnenplaats
stonken de kippenhokken
In de tuin groeiden
tomaten, spinazie, dille
In de zomerglans
kwam met de hittegolf
het geluid van de stoomfluit
zwak maar schril

In het kreupele bos
tussen bladeren afval en as
speelden wij kinderen
rovertje en schandiet
Een zwarte man
onder het stof, met drinkbus
zei: we gaan aardappelpannenkoeken
eten


Harald Hartung, Hase und Hegel (1970)
Aktennotiz meines Engels. Gedichte 1957-2004
Wallstein Verlag, Göttingen, 2005


Vertaling: Wiel Kusters

donderdag 23 mei 2013

Urännerung an Oskar Pastior

Aber

Aber wenn Du's kragen fest,
Dir den anzug schultern lässt

(denn er wird gezart mit lügen
die am besten bisschen krügen)

schneiden plötz sich unsere woge.
Hast auf nimmer Dich entzoge,

schüttelfest und schnurgeräd.
Mimimiene, wie die fleht!

donderdag 16 mei 2013

Dan Brown versus Wiel Kusters (Auteur van 'In en onder het dorp')

Ik wil, ahum, niet te veel zeggen maar zo liggen de verhoudingen inzake Inferno bij Bruna op station Maastricht.
Nieuwkomer Brown naast...., jawel.



maandag 13 mei 2013

Oskar und das Hündchen. Nachtrag zu meiner 'Erinnerung an Oskar Pastior (1)'



Jetzt lese ich in Harald Hartungs Aufzeichnungen, Der Tag vor dem Abend (Göttingen, Wallstein Verlag, 2012) unter der Aufschrift 'Oskar Pastior ist tot' unter anderem:
'Vor Jahren, als unser Hund noch lebte, meldete sich der Anrufer stets mit den Worten: "Hier ist Oskar der andere."'

Oskar, der andre Hund. Oskar, der Nicht-Hund. Oskar, der 'andre' Dichter. Oskar, der im Lager geänderte Mensch. Nichts und alles von dem hat er mit seiner Begrüssungsformel sagen wollen, so kommt es mir vor. Bedeutungsloses Spiel oder Unspiel der Bedeutungen?

Aus den Gedichtgedichten (1973):

während in der ersten Zeile DAS HÜNDCHEN seinem herrn beim ertrinken beisteht ist in der zweiten zeile keine rettung mehr möglich in der dritten zeile wächst die verzweiflung während schon hilfe in der vierten zeile  naht das gedicht veranschaulicht DIE TREUE während sein titel SCHON zeitloses deutet

Von mir folgendermassen ins Niederländische übersetzt in dem Pastior-Band Een Nederlandse titel (Amsterdam, Querido, 1985):

terwijl HET HONDJE zijn baas in de eerste regel bij het verdrinken bijstaat is er in de tweede regel geen redding meer mogelijk in de derde regel neemt de vertwijfeling toe terwijl er reeds in de vierde regel hulp in aantocht is het gedicht maakt DE TROUW aanschouwelijk terwijl zijn titel REEDS op iets tijdeloos duidt

Jedes Mal beim Hören dieser Übersetzung auf unserer gemeinsamen Vortragsreise im Jahre1988 (Berlin, Freiburg, Bielefeld, Krefeld) hat Oskar ein leichtes Schmunzeln nicht  unterdrücken können. Ursache: der kurze o-Laut im niederländischen 'hondje'.

Über Oskars Tod schreibt Harald Hartung, in den zitierten Aufzeichnungen, was ich schon wusste: 'Er starb bei Freunden in Frankfurt, auf dem Sofa, als er sich vom Buchmessetrubel vor einem Auftritt ausruhen wollte  - wie über der Zeitung eingeschlafen. Das Hündchen seines Gastgebers hielt Wache.'

vrijdag 10 mei 2013

Erinnerung an Oskar Pastior (1)



1987 oder 1988. Wir sind bei einer Dichterlesung im Literarischen Colloquium Berlin, dem schönen Haus am Wannsee. Zu den Lesenden gehört Harald Hartung, Literaturprofessor an der Technischen Universität, der Gedichte vorstellt aus seinem 1986 erschienenem Band Traum im deutschen Museum.
Oskar neigt sich ein wenig mir zu und flüstert: ‘Und das Hündchen heisst tatsächlich [Namen vergessen].’
Es scheint mir in dem Moment eine ironische Kritik an den ‘Realismus’ der Hartungschen Verse, von denen wir gerade eines gehört haben.

Etwa fünfundzwanzig Jahre später blättere ich durch Harald Hartungs gesammelte Gedichte, Aktennotiz meines Engels, und suche das Gedicht mit dem Hund. Und da ist es! Die letzten Zeilen von ‘Stolper Herbst mit Hund’ machen sofort klar, dass dieses Gedicht nicht zu Oskar Pastiors Favoriten gehört haben kann. ‘So ruhig blickt mich der Hund an, sein altes/ tieferes Schauen befragt fraglos den fragenden Herrn’.

Zu meiner jetzigen Überraschung aber war damals auch noch etwas anderes im Spiel. Denn der Hund im Gedicht heisst: Oskar! Hartungs Gedichtanfang lautet: ‘Mein gewöhnlicher Gang wie täglich und Oskar wie üblich/ zog an der Leine und las Marke um Marke am Weg/ wählerisch und genussvoll wie der verständigste Leser’.

Nun nehme ich an, dass Oskar mit seinem Gesäusel auch den humorvollen Gedanken heraufbeschwören wollte, Harald Hartung hätte, in seinem Gedicht, ihn gemeint; Hartungs Gedicht wäre, da am Anfang, eine ironische Darstellung Oskars lyrischer Position als Oulipist (‘an der Leine’). 
Und ich habe mich gefreut.




donderdag 9 mei 2013



TERRAS publiceert mijn vertaling van Oskar Pastior: 'Moeder en zoon met bolbliksem  (1928)'. Met een nawoord over, onder meer, Oskar en de Securitate - de Roemeense geheime dienst ten tijde van het communistisch bewind.

Buurman Salomon en Mevrouw


Ieder jaar aan het begin van de maand mei, de voorjaarsmaand bij uitstek, wegwijzer naar de zomer, ga ik – en gaan waarschijnlijk velen met mij – door een lage en nauwe gang van melancholie. 
4 mei en de dagen daarvoor staan, ook door de gelukkig niet verflauwende inzet van de media, in het teken van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. De verschrikkingen waarvoor in laatste instantie geen naam is.
Geen naam. Maar de namen van alle mensen staan gegrift in de palm van Zijn hand, onuitwisbaar, zegt het Boek der Boeken diep ontroerend. Het is wel een heel ander beeld dan dat van de op de onderarm getatoeëerde kampnummers van de nazislachtoffers.
Hun namen moeten terug in de wereld, de geschiedenis van al deze concrete, individuele mensen. Hun massale uitwissing zal niet gelukt mogen zijn. (De grammatica toont hier de gevoelde onmacht. Maar toch.)

Dezer dagen las ik het zojuist verschenen boek Vervolgd in Limburg. Joden en Sinti in Nederlands-Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog van Herman van Rens (Uitgeverij Verloren, Hilversum). De ‘nabijheid’ van de behandelde stof, de genoemde mensen, de informatie over de lotgevallen van zeer concrete individuen uit het eigen dorp, de eigen stad, de eigen streek, is indrukwekkend.

In de achterin het boek opgenomen lijst van slachtoffers, compleet met geboortedatum, geboorteplaats, adres, datum van arrestatie, deportatie en overlijden, plus naam van de plaats waar de dood hen na wegvoering uit Nederland aantrof, las ik de naam Louis Salomon, geboren 16 december 1899. Gearresteerd 21 mei 1942 en waarschijnlijk overleden in juli van dat jaar in Kamp Amersfoort.

Had ik in 1942 gewoond waar ik nu woon, dan was Louis Salomon mijn buurman geweest. Sterker nog: in het huis van buurman Salomon hebben ook mijn vrouw en ik gewoond, van 1972 tot 1976. Onze in 1975 geboren dochter heeft er over de vloer gekropen. In 1976 schoven we een voordeur verder. Een gemakkelijke verhuizing, waar ik voor de grap weleens van zei dat ze onmiskenbaar van zwerversbloed getuigde.

Via het personenregister in het indrukwekkende boek van Herman van Rens kwam ik al snel meer over buurman Louis Salomon te weten.

Louis Salomon was een van de tien joodse mannen die in mei 1942 slachtoffer werden van de eerste grootschalige arrestatie in Limburg. Op last van de Sicherheitspolizei werden ze door de gemeentepolitie uit hun huizen gehaald. ‘Het waren notabele leden van de joodse gemeenschap,’ aldus Van Rens, ‘een advocaat, een fabrikant, enkele grote winkeliers en kooplieden.’ Het betrof een represaillemaatregel. De reden van de arrestatie was ‘het feit dat onbekenden bordjes met het opschrift Voor joden verboden “kwaadwillig” hadden verwijderd.’
Drie van deze mannen werden vrijgelaten omdat ze gemengd (dus met een niet-joodse) gehuwd waren. In hun plaats werden drie andere gearresteerd. Herman van Rens schrijft: ‘In deze groep vond de eerste moord plaats op een Limburgse jood. In juli 1942 werd Louis Salomon in het kamp Amersfoort doodgeknuppeld. Hij was gemengd gehuwd, maar werd verdacht van communistische sympathieën. Daarom was hij niet, zoals drie anderen, vrijgelaten.’ Louis Salomon werd door de SS-er Hugo Hermann Wolf, die onder de gevangenen bekend stond als ‘het Kerstmannetje’, zo hevig geslagen en getrapt dat hij aan de gevolgen daarvan overleed.
De meeste andere leden van de Maastrichtse groep werden vanuit Amersfoort naar Auschwitz gedeporteerd.

Van Rens verwijst naar diverse rechtbankverslagen, die via de databank Historische Kranten van de Koninklijke Bibliotheek gemakkelijk terug te vinden zijn.

Uit Het Vrije Volk van 23 november 1948:

‘Het “Kerstmannetje”, dat eigenlijk Hugo Herman Wolff heet, staat in zijn vaal verschoten SS-uniform voor het Amsterdamse Bijzonder Gerechtshof. Een vijftiger met een snorretje en domme, uitdrukkingsloze ogen. Vele oud-gevangenen van het kamp Amersfoort zijn gekomen om tegen hem te getuigen. Zij zien Wolff met blikken vol haat aan.
Eén getuige is er, die hem voor het eerst ziet. Het is een dame, die de rechters vertellen moet, hoe zij tot de ontdekking kwam, dat haar man in het kamp de dood vond.
Zij begint kalm, maar na enkele zinnen overmeesteren haar het leed van al die jaren en de emotie van dit ogenblik. “En toen is mijn man doodgeknuppeld,” roept zij met overslaande stem uit en moet zolang op een stoel terzijde gaan zitten.
Een jonge mijnwerker, die over ditzelfde geval moet vertellen, draait zenuwachtig de ogen van Wolf af. Zijn woorden zijn overstaanbaar. Ten slotte staat hij alleen nog maar te huilen. Op de gang gaat hij kalmeren.
Volgende getuige. Weer over hetzelfde geval. “Als deze dame de zaal uitgaat, anders kan ik geen inlichtingen geven,” zegt hij.
De president weet de vrouw van de vermoorde gevangene te overtuigen, dat het beter is, dat zij niet alle gruwelijke bijzonderheden hoort; zij verlaat de zaal.
Het blijkt dan, dat het slachtoffer, een Jood, zonder aanleiding zó lang was geknuppeld, dat hij als een bloederige massa tegen het prikkeldraad bleef liggen, waar hij nog eens tegen het hoofd werd getrapt. Dader: het Kerstmannetje, dat als hoofd van het “Jodencommando” een bijzondere vaardigheid in de meest gevarieerde kwellingen had ontwikkeld.
Dan wordt de dame weer binnengeleid. De president wil haar in een paar woorden meedelen, wat er tijdens haar afwezigheid is gebeurd: “De verdachte heeft toegegeven, dat het wel mogelijk is, wat de getuigen hebben verklaard, namelijk dat uw man zo geslagen en getrapt is, dat hij er de volgende dag aan overleed.” Maar reeds zakt de vrouw voorover op het getuigenhekje en enige minuten lang klinkt er niets anders in de rechtszaal dan het klaaglijk gehuil van de getuige. Zelfs op de publieke tribune is het doodstil. De rechters kijken op hun vingers.
Ten einde raad laat de president zijn secretaresse roepen, die de getuige naar buiten leidt en een glas water zal geven. Als zij achter Wolff langs loopt, hamert de vrouw hem met de vuisten op het bijna kale hoofd tot de parketwachter tussenbeiden komt. Wolff is stokstijf op zijn plaats blijven staan.’
Het Nieuwsblad van Friesland (26 november) spreekt van ‘drie harde klappen’.

Namen: in het Nieuwsblad van het Noorden van dezelfde dag wordt mevrouw Salomon aangeduid als mevrouw S.-M.
Wolf, timmerman van beroep, heet in de diverse verslagen nu eens Wolf, dan weer Wolff. De naam ‘het Kerstmannetje’ kreeg hij volgens De Heerenveensche Koerier  van 25 november 1948 van de gevangenen. ‘Wolf was leider van het “bos-commando”, dat tot taak had, percelen bos te rooien. Dikwijls is het toen voorgekomen, dat Wolf met jonge dennebomen over de schouder naar het kamp ging. Daarom noemden de gevangenen hem “Kerstmannetje”.’

Tegen hem en de andere Amersfoortse kampbeulen die terechtstonden, onder wie de beruchte Kotälla (later bekend als een van de Vier van Breda) werd de doodstraf geëist. Het Kerstmannetje werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.