donderdag 9 mei 2013

Buurman Salomon en Mevrouw


Ieder jaar aan het begin van de maand mei, de voorjaarsmaand bij uitstek, wegwijzer naar de zomer, ga ik – en gaan waarschijnlijk velen met mij – door een lage en nauwe gang van melancholie. 
4 mei en de dagen daarvoor staan, ook door de gelukkig niet verflauwende inzet van de media, in het teken van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. De verschrikkingen waarvoor in laatste instantie geen naam is.
Geen naam. Maar de namen van alle mensen staan gegrift in de palm van Zijn hand, onuitwisbaar, zegt het Boek der Boeken diep ontroerend. Het is wel een heel ander beeld dan dat van de op de onderarm getatoeëerde kampnummers van de nazislachtoffers.
Hun namen moeten terug in de wereld, de geschiedenis van al deze concrete, individuele mensen. Hun massale uitwissing zal niet gelukt mogen zijn. (De grammatica toont hier de gevoelde onmacht. Maar toch.)

Dezer dagen las ik het zojuist verschenen boek Vervolgd in Limburg. Joden en Sinti in Nederlands-Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog van Herman van Rens (Uitgeverij Verloren, Hilversum). De ‘nabijheid’ van de behandelde stof, de genoemde mensen, de informatie over de lotgevallen van zeer concrete individuen uit het eigen dorp, de eigen stad, de eigen streek, is indrukwekkend.

In de achterin het boek opgenomen lijst van slachtoffers, compleet met geboortedatum, geboorteplaats, adres, datum van arrestatie, deportatie en overlijden, plus naam van de plaats waar de dood hen na wegvoering uit Nederland aantrof, las ik de naam Louis Salomon, geboren 16 december 1899. Gearresteerd 21 mei 1942 en waarschijnlijk overleden in juli van dat jaar in Kamp Amersfoort.

Had ik in 1942 gewoond waar ik nu woon, dan was Louis Salomon mijn buurman geweest. Sterker nog: in het huis van buurman Salomon hebben ook mijn vrouw en ik gewoond, van 1972 tot 1976. Onze in 1975 geboren dochter heeft er over de vloer gekropen. In 1976 schoven we een voordeur verder. Een gemakkelijke verhuizing, waar ik voor de grap weleens van zei dat ze onmiskenbaar van zwerversbloed getuigde.

Via het personenregister in het indrukwekkende boek van Herman van Rens kwam ik al snel meer over buurman Louis Salomon te weten.

Louis Salomon was een van de tien joodse mannen die in mei 1942 slachtoffer werden van de eerste grootschalige arrestatie in Limburg. Op last van de Sicherheitspolizei werden ze door de gemeentepolitie uit hun huizen gehaald. ‘Het waren notabele leden van de joodse gemeenschap,’ aldus Van Rens, ‘een advocaat, een fabrikant, enkele grote winkeliers en kooplieden.’ Het betrof een represaillemaatregel. De reden van de arrestatie was ‘het feit dat onbekenden bordjes met het opschrift Voor joden verboden “kwaadwillig” hadden verwijderd.’
Drie van deze mannen werden vrijgelaten omdat ze gemengd (dus met een niet-joodse) gehuwd waren. In hun plaats werden drie andere gearresteerd. Herman van Rens schrijft: ‘In deze groep vond de eerste moord plaats op een Limburgse jood. In juli 1942 werd Louis Salomon in het kamp Amersfoort doodgeknuppeld. Hij was gemengd gehuwd, maar werd verdacht van communistische sympathieën. Daarom was hij niet, zoals drie anderen, vrijgelaten.’ Louis Salomon werd door de SS-er Hugo Hermann Wolf, die onder de gevangenen bekend stond als ‘het Kerstmannetje’, zo hevig geslagen en getrapt dat hij aan de gevolgen daarvan overleed.
De meeste andere leden van de Maastrichtse groep werden vanuit Amersfoort naar Auschwitz gedeporteerd.

Van Rens verwijst naar diverse rechtbankverslagen, die via de databank Historische Kranten van de Koninklijke Bibliotheek gemakkelijk terug te vinden zijn.

Uit Het Vrije Volk van 23 november 1948:

‘Het “Kerstmannetje”, dat eigenlijk Hugo Herman Wolff heet, staat in zijn vaal verschoten SS-uniform voor het Amsterdamse Bijzonder Gerechtshof. Een vijftiger met een snorretje en domme, uitdrukkingsloze ogen. Vele oud-gevangenen van het kamp Amersfoort zijn gekomen om tegen hem te getuigen. Zij zien Wolff met blikken vol haat aan.
Eén getuige is er, die hem voor het eerst ziet. Het is een dame, die de rechters vertellen moet, hoe zij tot de ontdekking kwam, dat haar man in het kamp de dood vond.
Zij begint kalm, maar na enkele zinnen overmeesteren haar het leed van al die jaren en de emotie van dit ogenblik. “En toen is mijn man doodgeknuppeld,” roept zij met overslaande stem uit en moet zolang op een stoel terzijde gaan zitten.
Een jonge mijnwerker, die over ditzelfde geval moet vertellen, draait zenuwachtig de ogen van Wolf af. Zijn woorden zijn overstaanbaar. Ten slotte staat hij alleen nog maar te huilen. Op de gang gaat hij kalmeren.
Volgende getuige. Weer over hetzelfde geval. “Als deze dame de zaal uitgaat, anders kan ik geen inlichtingen geven,” zegt hij.
De president weet de vrouw van de vermoorde gevangene te overtuigen, dat het beter is, dat zij niet alle gruwelijke bijzonderheden hoort; zij verlaat de zaal.
Het blijkt dan, dat het slachtoffer, een Jood, zonder aanleiding zó lang was geknuppeld, dat hij als een bloederige massa tegen het prikkeldraad bleef liggen, waar hij nog eens tegen het hoofd werd getrapt. Dader: het Kerstmannetje, dat als hoofd van het “Jodencommando” een bijzondere vaardigheid in de meest gevarieerde kwellingen had ontwikkeld.
Dan wordt de dame weer binnengeleid. De president wil haar in een paar woorden meedelen, wat er tijdens haar afwezigheid is gebeurd: “De verdachte heeft toegegeven, dat het wel mogelijk is, wat de getuigen hebben verklaard, namelijk dat uw man zo geslagen en getrapt is, dat hij er de volgende dag aan overleed.” Maar reeds zakt de vrouw voorover op het getuigenhekje en enige minuten lang klinkt er niets anders in de rechtszaal dan het klaaglijk gehuil van de getuige. Zelfs op de publieke tribune is het doodstil. De rechters kijken op hun vingers.
Ten einde raad laat de president zijn secretaresse roepen, die de getuige naar buiten leidt en een glas water zal geven. Als zij achter Wolff langs loopt, hamert de vrouw hem met de vuisten op het bijna kale hoofd tot de parketwachter tussenbeiden komt. Wolff is stokstijf op zijn plaats blijven staan.’
Het Nieuwsblad van Friesland (26 november) spreekt van ‘drie harde klappen’.

Namen: in het Nieuwsblad van het Noorden van dezelfde dag wordt mevrouw Salomon aangeduid als mevrouw S.-M.
Wolf, timmerman van beroep, heet in de diverse verslagen nu eens Wolf, dan weer Wolff. De naam ‘het Kerstmannetje’ kreeg hij volgens De Heerenveensche Koerier  van 25 november 1948 van de gevangenen. ‘Wolf was leider van het “bos-commando”, dat tot taak had, percelen bos te rooien. Dikwijls is het toen voorgekomen, dat Wolf met jonge dennebomen over de schouder naar het kamp ging. Daarom noemden de gevangenen hem “Kerstmannetje”.’

Tegen hem en de andere Amersfoortse kampbeulen die terechtstonden, onder wie de beruchte Kotälla (later bekend als een van de Vier van Breda) werd de doodstraf geëist. Het Kerstmannetje werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.




woensdag 24 april 2013

Illegale liedje

Die illegale
ken ik van bale
kunnen geen tale
ze blijven maar klitte
tussen de witten
laat ze niet zitten
het bennen boeve
ga ze aftróéven
die illegalen
ga ze ophálen
het is een zootje
thuis in een bootje!

dinsdag 23 april 2013

Elieteliedje



Ja de elite zijn hoge pieten

Die kennen graaien

Naar dikke tieten

Die ken je naaien

En van genieten

Nog effe zwaaien

En dan maar maaien

En dan maar schieten

Och laamar waaien


Retegoed he?

zaterdag 20 april 2013

Op Het Moment, literair magazine on line, een herpublicatie van mijn essay Tegen de verstening, tegen het gruis. Enkele gedachten over cultuur. Lees het hier.

dinsdag 16 april 2013

Leeskunst in Kerkrade


Overmorgen, donderdag 18 april, word ik in boekhandel LeesKunst d'r Schönefeld in Kerkrade van 19 tot 20 uur door Ben van Melick aan de tand gevoeld over In en onder het dorp en over 35 jaar boeken publiceren. Interview, voorlezen, signeren.

donderdag 11 april 2013

Vlucht (studie) nr. 2


Literair magazine HET MOMENT on line!
Nieuw werk van H.C. ten Berge, Mark Boog, Peter van Lier, Cyrille Offermans, Leo Vroman en anderen. Beeldend werk van Hans de Wit, muziek van Jacob ter Veldhuis.



Lees, kijk en luister hier

vrijdag 29 maart 2013


Leben und Schreiben mit der Kohle
Dichter Wiel Kusters veröffentlicht Erinnerungen an seine Jugend in Kerkrade.
'In en onder het dorp': Kindheid an der Kohlehalde
Aachener Zeitung, 28. März 2013
Aanstaande donderdag, 4 april, in Maastricht: Letters bij de lunch

Zondag 7 april in Nijmegen: Ontmoet de dichter, afl. 1



donderdag 28 maart 2013

Naar Pasen

Ik zit 's avonds voor mijn botten
in de spiegel naast het bed.
Het kan mij niet zoveel verrotten,
ik heb de wekker al gezet.


dinsdag 19 maart 2013

Lentewandeling, bovengronds

Een literaire wandeling door Spekholzerheide, georganiseerd door Theater Landgraaf voor lezers van In en onder het dorp.
Zaterdagmiddag 20 april aanstaande.

Na 40.000 exemplaren een nieuw, kunstzinnig omslag voor In en onder het dorp. Mijnwerkersleven in Limburg?

Liever niet, er gaat niets boven het ontwerp van Piet Gerards, met die anno 2013 bijna surrealistisch aandoende foto uit Spekholzerheide.

vrijdag 8 maart 2013

Ons Erfdeel over 'Dit nog, ook dit'


Aangenaam verrast door de bespreking van 'Dit nog, ook dit' door Koen Rymenants in Ons Erfdeel, nummer 1 van jaargang 2013 (februari).

Lees de recensie hier.

woensdag 6 maart 2013


Het is een bijzondere ervaring, een van je gedichten in het openbaar opnieuw te zien ontstaan. Het overkomt mij en mijn gedicht ‘Bordenhal’, in 2000 geschreven voor een van de buitenmuren van het toenmalige Derlon Theater in Maastricht, het vaste podium van theatergroep Het Vervolg dat in  mei van dat jaar in gebruik werd genomen.


In de loop der jaren was het gedicht, althans het letterbeeld, sterk verweerd geraakt; ten slotte was het vrijwel onleesbaar geworden. Op zich was ook dat een mooi, enigszins melancholisch proces.


Nu echter wordt het met vaste hand opnieuw op de muur geschreven van de Bordenhal, de thuisbasis van Toneelgroep Maastricht.
De foto's zijn van afgelopen maandag, dinsdag en vandaag.



vrijdag 1 maart 2013

Aantekeningen over mijn moedertaal


Ik ben opgegroeid in het Kerkraads. De klanken en woorden daarvan waren mij in mijn kindertijd, en ook nog lang daarna, fysiek en mentaal het meest nabij. Zij gaven op de meest vanzelfsprekende wijze vorm en betekenis aan mijn wereld.
Na de dood van mijn broer, die de enige was met wie ik nog Kerkraads sprak, heb ik me voorgenomen af en toe eens een woord uit mijn moedertaal tegen het licht te houden.

Onder het motto Woa sjwaam is, doa is óch vuur (waar rook is, is vuur) begin ik met een etymologische overpeinzing. Het speuren naar de oorsprong en geschiedenis van onze woorden schept ruimte rond die woorden. Dat graven in de taal, op zoek naar oudere lagen, heeft iets paradoxaals. Woorden komen er als nieuw uit tevoorschijn. Het effect is verwondering.

Het Kerkraadse woord voor (Nederlands) ‘rook’  en (Hoogduits) ‘Rauch’ is sjwaam, zie hierboven. De letters sj staan voor een brede stemloze sisklank. Andere Limburgse dialecten kennen het woord als zjwaam (zj klinkt als in het Franse Jean).

De etymologie van sjwaam heeft anders dan die van ‘rook’ en ‘Rauch’ duidelijk niets met ‘ruiken’ te maken. Maar welke verwantschapsbetrekkingen heeft sjwaam dan wel?

Ik veronderstel dat we die moeten zoeken in en rond het Nederlandse woord zweem. Van Dale omschrijft ‘zweem’ als: ‘lichte schijn, aanduiding, spoor of lichte graad’ van iets: een zweem van hoop, een zweempje ironie. In het voetspoor van het Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (onder neerlandici bekend als Franck-Van Wijk-Van Haeringen) noteert Van Dale als oudere betekenis: ‘het vlug over iets heen glijden’ en voegt daaraan toe, dat behoort tot de met zw anlautende (beginnende) woorden die de betekenis ‘zwaaien’ hebben, zoals zweep, zweven, zwieren, zwijmen.

Het Kerkraadse sjwaam (met het lidwoord d’r), dat ook '(water)damp' kan betekenen, heeft vermoedelijk dus als verzonken betekeniselement: vlugge en vluchtige beweging over iets heen. Waarbij de beweging zich met (een schijn van) leven laat associëren en de vluchtigheid vergankelijkheid impliceert: Spes mea fumus est (mijn rook is hoop, of: mijn hoop is rook), zoals de titel luidt van een sonnet van Willem Godschalck van Focquenbroch over het roken van tabak.

De woorden ‘rook’ en ‘Rauch’, die familie zijn van ‘ruiken’ respectievelijk ‘riechen’,  dragen het betekeniselement ‘vlug over iets heen glijden’ niet met zich mee. Maar het verschijnsel rook wordt natuurlijk ook als het ‘rook’ of ‘Rauch’ heet met ‘beweging’ geassocieerd. En soms zelfs nadrukkelijk met leven, in weerwil van een ook onmiddellijk opduikend vergankelijkheidsbesef. Zoals in dit mooie kleine gedicht van Bertolt Brecht:

Der Rauch

Das kleine Haus unter Bäumen am See.
Vom Dach steigt Rauch.
Fehlte er
Wie trostlos dann wären
Haus, Bäume und See.

In een kort commentaar op dit gedicht schrijft Jan Knopf:

Durch den Rauch kommt Bewegung ins zunächst ganz statische Bild, und Bewegung deutet auf Lebendiges, deutet darauf, dass das Haus bewohnt ist. Er steht nicht für Vergängliches, sondern für Leben. 

(Bertolt Brechts Buckower Elegien. Mit Kommentaren von Jan Knopf. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1986).


maandag 25 februari 2013


Ondiep

Zij groeven hem een ondiep graf
om uit te groeien, omhoog en omlaag,
met takken en wortels en breedte
boven en onder de grond.

Laat het voorjaar maar komen
spotte de vorst. En hij stond
nog maar net of iedere tak was bedekt
met een dun laagje sneeuw.

Drie houten paaltjes stutten zijn magerte,
zijn verlangen naar wortels en, hoger bedrog,
een paar tortels.



Copyright © ‘Ondiep’ 2013 Wiel Kusters


vrijdag 22 februari 2013


Aan een boom in de Alexander Battalaan

De boom die hier stond heeft het begeven.
Een jongere stam wist zijn plaats in te nemen,
maar weet van de dood niet meer dan zijn leven.
Anders dan ik: geen mens zonder memen.