Zojuist verschenen Bewaarmachinist nieuwe gedichten Uitgeverij Huis Clos, Rimburg. 47 blz. prijs 5 euro Bestellen: info@uitgeverijhuisclos.nl
zaterdag 26 februari 2011
zondag 7 februari 2010
Bloem Het is een bloem om er met een vaantje om rond te gaan en zacht te zingen. Het is een bloem om niet meer burger te zijn, maar een broer van een kinderhemdje in zonneschijn. Pierre Kemp (1934) Een van de boeiendste eenlingen uit de Nederlandse poëzie van de twintigste eeuw is de dichter Pierre Kemp (1886-1967). ‘In ’s Lands poëtische volière,/ de meest dichterlijke is Pierre,’ schreef Bertus Aafjes 1956 in Kemps Liber Amicorum, waarin we hommages aantreffen van Gerrit Achterberg, J.C. Bloem, Jan G. Elburg, Guillaume van der Graft, Lucebert, Adriaan Morriën, M. Vasalis, Simon Vestdijk en vele anderen. Dichters en schrijvers waarvan hij de allermeesten nooit in levenden lijve had ontmoet. Vanuit zijn Maastrichtse ‘dichterkluisje’, ver van het door hem verafschuwde artistieke leven, slaagde hij er niettemin in met zijn even vitale als melancholische poëzie de harten te bereiken van zeer veel schrijvende en lezende Nederlanders. In 1956 werd hem de Constantijn Huygensprijs toegekend, in 1958 volgde de P.C. Hooftprijs. Het hierboven geciteerde gedicht ‘Bloem’ is typerend voor Pierre Kemps blijmoedigheid. Voor zijn verlangen een ‘opgewekte’ dichter te zijn. Maar uit zijn pen vloeiden ook regels als: Critisch Ik voel mij door het licht verplicht te leven, maar eer ik me aan die plicht om ’t licht wil geven, moet ik weten, of het nog anders is dan in brand gevlogen duisternis Wie was Pierre Kemp? Hoe werd deze ‘Man in het Zwart’, die een groot deel van zijn leven op het loonbureau van een Zuid-Limburgse steenkolenmijn werkte, tot een van ’s lands kleurrijkste dichters? Op zondagmiddag 30 mei aanstaande om 14 uur wordt in Stadsbibliotheek / Centre Céramique te Maastricht mijn biografie van Pierre Kemp gepresenteerd. Pierre Kemp. Een leven is een uitgave van Vantilt, Nijmegen.
Daarop aansluitend (om 16 uur) vindt in het Bonnefantenmuseum de feestelijke opening plaats van een tentoonstelling van schilderijen van Kemp.
donderdag 2 juli 2009
Passiespelen Tegelen
In 2010 wordt in openluchttheater De Doolhof de negentiende editie op het toneel gebracht van de vijfjaarlijkse Passiespelen van Tegelen, over het lijden en de dood van Jezus Christus. De regie is dit keer in handen van Cees Rullens.
Voor deze nieuwe reeks van opvoeringen heb ik de tekst die ik had geschreven voor de spelen van 2005 herzien en met enkele taferelen en rollen uitgebreid.
Op de website van de Passiespelen is een trailer te bekijken, die een indruk geeft van de in voorbereiding zijnde nieuwe productie.
Voor deze nieuwe reeks van opvoeringen heb ik de tekst die ik had geschreven voor de spelen van 2005 herzien en met enkele taferelen en rollen uitgebreid.
Op de website van de Passiespelen is een trailer te bekijken, die een indruk geeft van de in voorbereiding zijnde nieuwe productie.
dinsdag 30 juni 2009
Reuzenpaardestaart
Hoe hij als oerplant
zijn wortelstokken steekt
tussen de bladen
van weer een ander boek
Van 5 juli tot 6 september toont het Natuurhistorisch Museum Maastricht monumentale tekeningen van Ans Rademakers, waarin ze de 'oerplant' Equisetum telmateia gefascineerd en intiem onderzoekt op vorm- en betekenismogelijkheden. Beeldende kunst, poëzie en wetenschap komen in de tentoonstelling bij elkaar. Koolstof tot nadenken.
Het gedicht 'Refugium' dat ik voor Ans Rademakers schreef staat in de catalogus, maar is ook te vinden op de website van het Natuurhistorisch Museum Maastricht.
zijn wortelstokken steekt
tussen de bladen
van weer een ander boek
Van 5 juli tot 6 september toont het Natuurhistorisch Museum Maastricht monumentale tekeningen van Ans Rademakers, waarin ze de 'oerplant' Equisetum telmateia gefascineerd en intiem onderzoekt op vorm- en betekenismogelijkheden. Beeldende kunst, poëzie en wetenschap komen in de tentoonstelling bij elkaar. Koolstof tot nadenken.
Het gedicht 'Refugium' dat ik voor Ans Rademakers schreef staat in de catalogus, maar is ook te vinden op de website van het Natuurhistorisch Museum Maastricht.
Tijd als geld
Onder enorm applaus en luid gejuich, zo lees ik in de krant, is gisteren door de New Yorkse rechtbank de 71-jarige megafraudeur Bernard Madoff tot 150 jaar gevangenissstraf veroordeeld.
Het is alsof de mateloosheid van de veroordeelde, speler van een gigantisch piramidespel, waarbij de ‘opbrengsten’ van niet gedane investeringen aan beleggers werden uitbetaald met geld van weer nieuwe investeerders, enzovoort – het is alsof een dergelijke mateloosheid ook het vonnis van de rechters heeft meebepaald. Gevangenisstraf voor de duur van 150 jaar: een hoeveelheid tijd die niet alleen Madoff niet ‘bezit’, maar die geen enkele sterveling vergund is. Dat is tijd uitgeven zonder dekking. Metafysica? Of toch ook een vorm van zwendel?
Het is alsof de mateloosheid van de veroordeelde, speler van een gigantisch piramidespel, waarbij de ‘opbrengsten’ van niet gedane investeringen aan beleggers werden uitbetaald met geld van weer nieuwe investeerders, enzovoort – het is alsof een dergelijke mateloosheid ook het vonnis van de rechters heeft meebepaald. Gevangenisstraf voor de duur van 150 jaar: een hoeveelheid tijd die niet alleen Madoff niet ‘bezit’, maar die geen enkele sterveling vergund is. Dat is tijd uitgeven zonder dekking. Metafysica? Of toch ook een vorm van zwendel?
zondag 19 april 2009
Limburg na 170 jaar
Op de kop af honderdzeventig jaar geleden, 19 april 1839, tijdens de Conferentie van Londen, werd het oostelijk deel van het toenmalige Limburg afgescheiden van het jonge koninkrijk België en overgedragen aan Nederland. Zo ontstonden er twee provincies Limburg, die historisch en cultureel met elkaar verbonden bleven.Vandaag, 19 april 2009, werd tijdens een feestelijke bijeenkomst in het Provinciehuis te Hasselt het zogenaamde Limburg-charter ondertekend door de gouverneurs van Oost- en West-Limburg en de gedeputeerden van beide beide provincies. Met dit charter wordt de samenwerking tussen de beide Limburgen niet alleen geïntensiveerd maar ook ondergebracht in een gemeenschappelijke visie op de toekomst.
Op uitnodiging van de beide provinciebesturen schreven Luuk Gruwez en ik voor deze bijeenkomst ieder een gedicht. Als uitgangspunt kozen we Henric van Veldeke, de Maaslandse dichter uit de twaalfde eeuw, schrijver van lentelijke liefdeslyriek, een hoofse ridderroman en de Legende van Sint Servaes. Veldeke, met wie de geschiedenis van de Nederlandse literatuur begint en wiens bronzen beeltenis zowel in Hasselt als in Maastricht te bezichtigen valt.
Hier is mijn gedicht.
Evolutie
Men vraagt mij
Darwin te gedenken in Maastricht
Veldeke in Hasselt
hun engel tussen de kleine borsten van een muze
hun duivel in de schaduw van een vlam
de winter in het voorjaar
de mosasaurus in een merel
de eerste knoppen
in de open knopen
van mijn jas
de grens tussen twee gewesten
daar waar ze zijn geweest.
Twee gedichten
op zoek naar een link
niet in de diepte maar de breedte
van de tijd.
Maar ik die graag eieren eet met Pasen
laat Katrien liefst teder
vechten met Jan Klaassen
zonder acht te slaan
op evolutie of het hoofs
aangaan van politiek
gezang, kuis malend
tussen de kaken
van een droom,
bottend aan de takken
van een oude stam.
Het verre is licht als een veer.
Het nabije zwaar als een vogel
op trektocht.
La princesse lointaine,
wegterend in een ziekenkamer,
een kind dat zich thuis voelt
tussen de huizen van zijn ouders.
Behalve als God
door Liefde gedreven
al het enkele dubbel ziet
en ons in het verschiet
de varianten tovert van
een kus in de lucht,
de dubbele kraag op één pint.
Men vraagt mij
Darwin te gedenken in Maastricht
Veldeke in Hasselt
hun engel tussen de kleine borsten van een muze
hun duivel in de schaduw van een vlam
de winter in het voorjaar
de mosasaurus in een merel
de eerste knoppen
in de open knopen
van mijn jas
de grens tussen twee gewesten
daar waar ze zijn geweest.
Twee gedichten
op zoek naar een link
niet in de diepte maar de breedte
van de tijd.
Maar ik die graag eieren eet met Pasen
laat Katrien liefst teder
vechten met Jan Klaassen
zonder acht te slaan
op evolutie of het hoofs
aangaan van politiek
gezang, kuis malend
tussen de kaken
van een droom,
bottend aan de takken
van een oude stam.
Het verre is licht als een veer.
Het nabije zwaar als een vogel
op trektocht.
La princesse lointaine,
wegterend in een ziekenkamer,
een kind dat zich thuis voelt
tussen de huizen van zijn ouders.
Behalve als God
door Liefde gedreven
al het enkele dubbel ziet
en ons in het verschiet
de varianten tovert van
een kus in de lucht,
de dubbele kraag op één pint.
zaterdag 7 februari 2009
Gehannes met Jan Hanlo
Dat dat nu juist de zo scrupuleuze Jan Hanlo (1912-1969) moest overkomen.
In de door Tjitske Jansen en Victor Schiferli samengestelde Dagkalender van de poëzie 2009 worden op 2 april uit zijn gedicht 'Herleven de nachten' alleen de twee slotstrofen overgenomen, met de suggestie dat het hier een compleet, titelloos gedicht betreft. Zoiets doen dichters mekaar en hun lezers toch niet aan?
Maar het kan nog bonter.
Op 23 januari waren twee dichters tegelijk slachtoffer van het bloemlezende duo, waar het gedicht met de openingsregel 'Lief en vriendelijk toch van zon en maan', geschreven door Hendrik de Vries, werd toegeschreven aan Jan Hanlo.
In de door Tjitske Jansen en Victor Schiferli samengestelde Dagkalender van de poëzie 2009 worden op 2 april uit zijn gedicht 'Herleven de nachten' alleen de twee slotstrofen overgenomen, met de suggestie dat het hier een compleet, titelloos gedicht betreft. Zoiets doen dichters mekaar en hun lezers toch niet aan?
Maar het kan nog bonter.
Op 23 januari waren twee dichters tegelijk slachtoffer van het bloemlezende duo, waar het gedicht met de openingsregel 'Lief en vriendelijk toch van zon en maan', geschreven door Hendrik de Vries, werd toegeschreven aan Jan Hanlo.
vrijdag 23 januari 2009
Volgende week verschijnt bij Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam: Nee, Plato, nee. Gedichten van W.H. Auden, gekozen, vertaald en geannoteerd door Benno Barnard, Huub Beurskens en Wiel Kusters. Tweetalige editie, gebonden, 256 blz. Vormgeving: Office of CC.Als voorproefje het gedicht 'Bird-Language' samen met mijn vertaling, 'Taal der vogels':
Bird-Language
Trying to understand the words
Uttered on all sides by birds,
I recognize in what I hear
Noises that betoken fear.
Though some of them, I’m certain, must
Stand for rage, bravado, lust,
All other notes that birds employ
Sound like synonyms for joy.
Taal der vogels
Luisterend naar de raadselwoorden
Die ik vogels zingen hoorde,
Leken veel van die geluiden
Angst en vreze te beduiden.
Klinkt wat trilt in hun geveerte
Soms naar drift, bravoure, begeerte,
In andere noten hoor ik frank
En vrij een volle-vreugdeklank.
zaterdag 3 januari 2009
Op verzoek van Dagblad De Limburger schreef ik een Nieuwjaarsgedicht voor de krant van 2 januari 2009:
Hetzelfde anders
Als het glas waaraan wij samen dronken,
diep in de schervenzee zal zijn verzonken
– onze lippen weggevroren –
blijft in een ruimte die de tijd weerstaat
lichaamloos de tederheid bewaard
van alle kussen ons geschonken.
Vogels pikken in de harde voren.
Vrieskou dekt zich in met mist.
Wie in het nieuwe jaar worden geboren,
naast ons bestaan, na ons verdwijnen,
belichamen het raadsel van de tijd:
verandering baart eeuwigheid.
Hetzelfde anders
Als het glas waaraan wij samen dronken,
diep in de schervenzee zal zijn verzonken
– onze lippen weggevroren –
blijft in een ruimte die de tijd weerstaat
lichaamloos de tederheid bewaard
van alle kussen ons geschonken.
Vogels pikken in de harde voren.
Vrieskou dekt zich in met mist.
Wie in het nieuwe jaar worden geboren,
naast ons bestaan, na ons verdwijnen,
belichamen het raadsel van de tijd:
verandering baart eeuwigheid.
dinsdag 28 oktober 2008
Kale kip en oude hen
Werkend aan een biografie van Pierre Kemp, die in zijn jonge jaren – van zijn dertiende tot zijn zesentwintigste – als plateelschilder werkte op de Société Céramique in Maastricht, komt plotseling de herinnering in mij boven aan een ontbijtbordje uit mijn lagere-schooltijd. Daarop onder andere een afbeelding van een kale kip, met het versje: ‘Kale kip die heeft geen veren,/ kale kip loopt zonder kleren.’ En een tekening, die ik minder scherp voor me zie, met de woorden: ‘Ik moet een bril, zei de oude hen,/ ik geloof dat ik wat kippig ben.’ Anders dan ik tot nu toe dacht, zijn dit de eerste proeven van dichtkunst die ik – dagelijks! – tot me nam. En dus niet Jan H. de Groots gedicht over de haan op de klokkentoren en Guido Gezelles ‘’t Kruiske’. Hoewel ook die vroege herinneringen aan berijmde taal (het kinderversje van De Groot), respectievelijk poëzie (het gedicht van Gezelle) mij blijvend dierbaar zijn. Gek, dat ik dat bordje met die rijmpjes zoveel jaren lang vergeten was.
dinsdag 30 september 2008
Koolhaas' dieren
Zaterdag 4 oktober, op het feest van Sint Franciscus en Werelddierendag, vond op Kasteel Groeneveld, Groeneveld 2, Baarn, buitenplaats van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, de presentatie plaats van mijn boek Koolhaas' dieren. Over de biologie van een schrijver (Vantilt, Nijmegen, 296 blz.) Meer over dit boek in het Research Magazine van de Universiteit Maastricht.
vrijdag 29 augustus 2008
Jekerpark, Maastricht
dinsdag 19 augustus 2008

Eervolle vermelding
Ik was koning en reed
op een leeuw van mijn papier
de klas uit.
Later zou ik me vinden
in een verhaal, de vierde koning,
Coredan,
maar zover was het nog niet.
Bij de meester lag een krant op de
lessenaar,
waarin stond dat er een wedstrijd was.
Caspar, Melchior en Balthasar bleken
niet alleen
op weg gegaan. Goud, wierook en mirre
waren niet het enige dat telde,
schrijf het op
en win een prijs. De klas viel uit elkaar
in dertig losse hoofden en
puntjes tong.
Daar hing ik plotseling aan de manen
van een veel te grote leeuw die
niet bestond.
Ik moest dat hebben gelezen
voor ik het schreef: Takjes braken
krakend af.
Dat wees op een ontmoeting,
schrik, de zwarte koning
trok wit weg.
Daarna verdwaalde ik weer
op mijn heilige leeuw. Ik voerde hem
diamanten,
tot de schoolbel tinkelde dat
het geijzeld had buiten in
de woestijn.
Weken later, Kerstmis geweest
en Driekoningen, we rekenden alsof
we zongen,
strak in de maat, en maakten
een dictee, waarna het gebeurde.
Denk je in,
de Meester van de Zesde kwam
met een pakje de klas in en vroeg
waar ik was.
Het lag op mijn bank, het was bruin,
er zat een postzegel op, ik zag het
was voor mij.
De krant had geschreven, het ging
om een Eervolle Vermelding, proficiat
Coredan.
De prijs was een doosje met houten stenen,
rechthoekig, zwart met witte stippen.
Ik had mij geschreven, een
dominospel.
vrijdag 4 juli 2008
maandag 30 juni 2008
J.M. Coetzee en Willem Frederik Hermans. Een glosse bij Disgrace en De god Denkbaar Denkbaar de god
Hoofdstuk 16 van J.M. Coetzees roman Disgrace (1999), waarin de hoofdpersoon, David Lurie, in een dierenkliniek assisteert bij het doden van grote aantallen honden die geen verzorger hebben, doet sterk denken aan enkele pagina’s uit De god Denkbaar Denkbaar de god (1956) van Willem Frederik Hermans, voor wiens fameuze Nooit meer slapen (Beyond Sleep) Coetzee in de Engelstalige wereld een lans breekt met de woorden: 'A comedy of worldly disengagement trembling on the edge of tragedy, all the more hilarious for being related in Hermans' best poker-faced manner.'
Ik doel op de passage waarin Denkbaar als vorm van straf (ook hij is in ongenade gevallen) te werk wordt gesteld in het ‘hondenasiel, waar hij honden die zonder halsband op straat gevonden waren, moest afmaken in een gaskamer’. (De god Denkbaar Denkbaar de god, ed. 1970, p. 44 e.v.). Het gaat om grote, steeds grotere hoeveelheden honden, die zo goed en zo kwaad als het gaat in een wagentje met een kooi van ijzergaas erop naar de ovenachtige gaskamer worden gereden en vervolgens naar een stortplaats.
De overeenkomst loopt in het oog, maar het verschil natuurlijk ook. De hoofdpersoon uit Coetzees roman voorkomt dat de dode honden tegelijk met allerlei afval worden verbrand – ‘He is not prepared to inflict such dishonour upon them’ (p. 144) – en brengt ze persoonlijk naar de verbrandingsoven, ‘where he himself loads them, one at a time, on to a feeder trolley through the steel gate into the flames, pulls the lever to empty it of its contents, and cranks it back, while the workmen whose job this normally is stand by and watch'. Zo bewerkstelligt hij niet alleen dat de honden als dode wezens verbrand worden, en niet als afval, maar ook dat de werkmensen niet nog langer doen wat hij ze één keer heeft zien doen: het breken van de poten van de verstijfde hondenlijken door er met de schop op te slaan, zodat ze beter passen in het wagentje passen en er bij de oven gemakkelijker uitvallen. In De god Denkbaar Denkbaar de god werd het op zeker moment ‘noodzakelijk de honden half dood te slaan, voordat ze in een karretje van ijzergaas konden worden gestopt’.
In zijn artikel ‘Age of Bronze, State of Grace: Music and Dogs in Coetzee’s Disgrace’ (Novel, Vol. 34, 2000, p. 98-122) schrijft Derek Attridge, dat David Luries dienstbetoon aan de dode dieren de individualiteit van hun dood markeert en ‘the reduction of dead animals to mere accumulations of matter’ betwist. Zo is het natuurlijk. Maar dat laatste is nu juist wel wat er in De god Denkbaar Denkbaar de god gebeurt, waarin de materie, in al haar (trans)formaties, de enige werkelijkheid vormt.
Summary In his novel Disgrace, the passage on killing and burning large numbers of dogs who can’t be cared for, J.M. Coetzee calls to the mind of Dutch readers those pages from Willem Frederik Hermans’s ‘absurd’ novel De god Denkbaar Denkbaar de god (The god Thinkable Thinkable the god, 1956), where Denkbaar, as a punishment, in an ‘animal home’, has to kill a never ending stream of dogs (and gradually also other animals) by driving them in a trolley to a gas oven. There is a striking similarity between these passages, though we can also see a meaningful difference. In Hermans’s novel, informed by a materialistic philosophy, matter is all that matters.
Ik doel op de passage waarin Denkbaar als vorm van straf (ook hij is in ongenade gevallen) te werk wordt gesteld in het ‘hondenasiel, waar hij honden die zonder halsband op straat gevonden waren, moest afmaken in een gaskamer’. (De god Denkbaar Denkbaar de god, ed. 1970, p. 44 e.v.). Het gaat om grote, steeds grotere hoeveelheden honden, die zo goed en zo kwaad als het gaat in een wagentje met een kooi van ijzergaas erop naar de ovenachtige gaskamer worden gereden en vervolgens naar een stortplaats.
De overeenkomst loopt in het oog, maar het verschil natuurlijk ook. De hoofdpersoon uit Coetzees roman voorkomt dat de dode honden tegelijk met allerlei afval worden verbrand – ‘He is not prepared to inflict such dishonour upon them’ (p. 144) – en brengt ze persoonlijk naar de verbrandingsoven, ‘where he himself loads them, one at a time, on to a feeder trolley through the steel gate into the flames, pulls the lever to empty it of its contents, and cranks it back, while the workmen whose job this normally is stand by and watch'. Zo bewerkstelligt hij niet alleen dat de honden als dode wezens verbrand worden, en niet als afval, maar ook dat de werkmensen niet nog langer doen wat hij ze één keer heeft zien doen: het breken van de poten van de verstijfde hondenlijken door er met de schop op te slaan, zodat ze beter passen in het wagentje passen en er bij de oven gemakkelijker uitvallen. In De god Denkbaar Denkbaar de god werd het op zeker moment ‘noodzakelijk de honden half dood te slaan, voordat ze in een karretje van ijzergaas konden worden gestopt’.
In zijn artikel ‘Age of Bronze, State of Grace: Music and Dogs in Coetzee’s Disgrace’ (Novel, Vol. 34, 2000, p. 98-122) schrijft Derek Attridge, dat David Luries dienstbetoon aan de dode dieren de individualiteit van hun dood markeert en ‘the reduction of dead animals to mere accumulations of matter’ betwist. Zo is het natuurlijk. Maar dat laatste is nu juist wel wat er in De god Denkbaar Denkbaar de god gebeurt, waarin de materie, in al haar (trans)formaties, de enige werkelijkheid vormt.
Summary In his novel Disgrace, the passage on killing and burning large numbers of dogs who can’t be cared for, J.M. Coetzee calls to the mind of Dutch readers those pages from Willem Frederik Hermans’s ‘absurd’ novel De god Denkbaar Denkbaar de god (The god Thinkable Thinkable the god, 1956), where Denkbaar, as a punishment, in an ‘animal home’, has to kill a never ending stream of dogs (and gradually also other animals) by driving them in a trolley to a gas oven. There is a striking similarity between these passages, though we can also see a meaningful difference. In Hermans’s novel, informed by a materialistic philosophy, matter is all that matters.
zaterdag 7 juni 2008
Verzopen bierrijder en verzonken schip

Wie poëzie met louter lieflijkheid of met zachte gevoelens van welke aard dan ook associeert, zal opkijken als hij de gedichten leest, die de domineeszoon Gottfried Benn schreef, toen hij in 1912 assistent-patholoog was geworden in een ziekenhuis in Berlijn. Volgens zijn biograaf, Gunnar Decker, heeft de jonge Benn daar in een jaar tijds 297 keer sectie moeten verrichten en zat hij daarna mentaal volledig aan de grond. Als een in wezen zacht en meevoelend karakter moet hij in dat jaar in de hel hebben verkeerd, zegt Decker. ‘Nur das Hässliche und Schmutzige, al den Tod und Verfall aufzuschreiben bewahrt ihn vorm Irrewerden oder dem Selbstmord.’ In het bundeltje Morgue, dat Benn in 1912 liet verschijnen en dat door lezers en critici onmiddellijk als het weerzinwekkende product van een voze geest werd bestempeld, publiceerde hij onder andere dit kleine gedicht.
Een verzopen bierdrager werd op de tafel getild,
Iemand had een donkerlichtlila aster
tussen zijn tanden geklemd.
Toen ik vanuit de borst
onder de huid
met een lang mes
tong en gehemelte lossneed,
moet ik ertegen gestoten hebben, want ze gleed
in de ernaast gelegen hersenen.
Ik verpakte hem in zijn borstholte
tussen de houtwol
toen hij werd dichtgenaaid.
Drink je vol in je vaas!
Rust zacht,
kleine aster!
‘Kleine aster’ is te vinden in het nawoord dat Huub Beurskens heeft toegevoegd aan zijn vertaling van een complete latere bundel van Gottfried Benn, Statische gedichten (tweetalige uitgave, Meulenhoff, 2008). Statische gedichten (1948) is Benns belangrijkste gedichtenboek. Beurskens heeft met zijn meesterlijke vertaling van deze bundel goed werk verricht voor de toegang tot Benns poëzie in een land waar het lezen van Duitse dichters in hun eigen taal helaas tot iets voor weinigen is geworden.
In zijn recensie van deze Benn-vertalingen, in de Volkskrant, heeft Maarten Doorman nodeloos kleinerend gedaan over een 'vertaalfout' die Huub Beurskens gemaakt zou hebben door 'Bauchhöhle' als 'borstholte' te vertalen. Maar terwijl Doorman blijkt uit te gaan van de oudste versie van het gedicht (te vinden in een historiserende uitgave door door Bruno Hillebrand van de Gedichte in der Fassung der Erstdrucke), waar inderdaad 'Bauchhöhle' stond, heeft Beurskens zich respectvol gebaseerd op Benns Gesammelte Gedichte uit 1956, de Ausgabe letzter Hand dus: Benn heeft aan het eind van zijn leven 'Bauchhöhle' in 'Brusthöhle' veranderd.
Nog even terug naar het samengaan van poëzie en snijtafel. Een blik op de eerste gedichtenbundel van de arts-psychiater Frank Koenegracht: Een gekke tweepersoonswesp (1971). Ook Koenegracht heeft gedichten geschreven over secties die hij heeft verricht of waarbij hij aanwezig was. Ik citeer het gedicht met de titel ‘s./648’ om de overeenkomsten en het onmiddellijk ook vast te stellen verschil met Benns ‘Kleine aster’.
Lieve mevrouw, dit is
de dood niet deze ongeschoren
ploeteraar met beitels, zijn
bril tussen zijn tanden van
inspanning, kankerend op uw
wervelkolom, deze vieze en
verveelde lezer van ingewanden.
De dood
is een wit onzinkbaar schip
dat luistert naar muziek.
Een verzopen bierdrager werd op de tafel getild,
Iemand had een donkerlichtlila aster
tussen zijn tanden geklemd.
Toen ik vanuit de borst
onder de huid
met een lang mes
tong en gehemelte lossneed,
moet ik ertegen gestoten hebben, want ze gleed
in de ernaast gelegen hersenen.
Ik verpakte hem in zijn borstholte
tussen de houtwol
toen hij werd dichtgenaaid.
Drink je vol in je vaas!
Rust zacht,
kleine aster!
‘Kleine aster’ is te vinden in het nawoord dat Huub Beurskens heeft toegevoegd aan zijn vertaling van een complete latere bundel van Gottfried Benn, Statische gedichten (tweetalige uitgave, Meulenhoff, 2008). Statische gedichten (1948) is Benns belangrijkste gedichtenboek. Beurskens heeft met zijn meesterlijke vertaling van deze bundel goed werk verricht voor de toegang tot Benns poëzie in een land waar het lezen van Duitse dichters in hun eigen taal helaas tot iets voor weinigen is geworden.
In zijn recensie van deze Benn-vertalingen, in de Volkskrant, heeft Maarten Doorman nodeloos kleinerend gedaan over een 'vertaalfout' die Huub Beurskens gemaakt zou hebben door 'Bauchhöhle' als 'borstholte' te vertalen. Maar terwijl Doorman blijkt uit te gaan van de oudste versie van het gedicht (te vinden in een historiserende uitgave door door Bruno Hillebrand van de Gedichte in der Fassung der Erstdrucke), waar inderdaad 'Bauchhöhle' stond, heeft Beurskens zich respectvol gebaseerd op Benns Gesammelte Gedichte uit 1956, de Ausgabe letzter Hand dus: Benn heeft aan het eind van zijn leven 'Bauchhöhle' in 'Brusthöhle' veranderd.
Nog even terug naar het samengaan van poëzie en snijtafel. Een blik op de eerste gedichtenbundel van de arts-psychiater Frank Koenegracht: Een gekke tweepersoonswesp (1971). Ook Koenegracht heeft gedichten geschreven over secties die hij heeft verricht of waarbij hij aanwezig was. Ik citeer het gedicht met de titel ‘s./648’ om de overeenkomsten en het onmiddellijk ook vast te stellen verschil met Benns ‘Kleine aster’.
Lieve mevrouw, dit is
de dood niet deze ongeschoren
ploeteraar met beitels, zijn
bril tussen zijn tanden van
inspanning, kankerend op uw
wervelkolom, deze vieze en
verveelde lezer van ingewanden.
De dood
is een wit onzinkbaar schip
dat luistert naar muziek.
zondag 20 april 2008
Bindels' Cromwell
Bij mijn pogingen tot reconstructie van het fonds van Uitgeverij Bindels te Spekholzerheide heb ik weer een kleine ontdekking gedaan. Het boek Oliver Cromwell, door Bindels omstreeks 1946 op de markt gebracht, blijkt een titeluitgave te zijn van Leopold von Ranke's Oliver Cromwell en zijn tijd, in 1944 in het (duistere) licht gegeven door de foute Uitgeverij Roskam te Amsterdam. Het is een vertaling, door F.P.M. Spaan van Oliver Cromwell und seine Zeit, verschenen in 1942 bij Verlag Die Heimbücherei te Berlijn. Deze gegevens vindt men niet in de Bindels-uitgave, die op de titelpagina en haar keerzijde na, volkomen identiek is aan de uitgave van Roskam. De naam van de grote negentiende-eeuwse historicus is door Bindels eenvoudig weergegeven als Ranke.
De Roskam-uitgave is op de titelpagina, bij de naam van de uitgever, voorzien van een stempeltje:
VOOR DEN VERKOOP
VRIJGEGEVEN
DE BEHEERDER(S)
Het boek is met andere woorden na de bevrijding weer gewoon op de markt gekomen, als in politieke zin onschuldig boek. Blijkbaar heeft J. Bindels te Spekholzerheide het restant van de oplage opgekocht en van een nieuwe titelpagina voorzien met zijn naam erop. Ik denk dat het, in 1945 of 1946, zijn debuut is geweest als uitgever. Natuurlijk blijven er vele vragen.
De Roskam-uitgave is op de titelpagina, bij de naam van de uitgever, voorzien van een stempeltje:
VOOR DEN VERKOOP
VRIJGEGEVEN
DE BEHEERDER(S)
Het boek is met andere woorden na de bevrijding weer gewoon op de markt gekomen, als in politieke zin onschuldig boek. Blijkbaar heeft J. Bindels te Spekholzerheide het restant van de oplage opgekocht en van een nieuwe titelpagina voorzien met zijn naam erop. Ik denk dat het, in 1945 of 1946, zijn debuut is geweest als uitgever. Natuurlijk blijven er vele vragen.
dinsdag 15 april 2008
Uitgeverij Bindels

Al woon ik al meer dan vijfendertig jaar in Maastricht, opgegroeid ben ik in Spekholzerheide, tussen Kerkrade en Heerlen. En daar is dus ook het grote lezen begonnen. Hoe verbaasd was ik toen ik in 1961 of 1962 Hermans Heijermans’ roman Droomkoninkje las en dat verhaal zich plotseling naar Heerlen verplaatste, naar mijn eigen omgeving dus. En hoe verrast, toen Nescio in zijn prachtige verhaal Dichtertje Spekholzerheide wist te kennen (al was het maar de naam), toen hij het had over ‘de God van Nederland, van heel Nederland, van Surhuisterveen en Spekholzerheide’.
Wij woonden in de Schoolstraat. Op de hoek van die straat en de Akerstraat had je een merkwaardig, desolaat en stoffig ogend winkelpand, waarvan de inboedel voornamelijk bestond uit stapels boeken, die zichtbaar waren door de grote kale ramen. J. Bindels stond er op de ruit, en daaronder waarschijnlijk Boekbinderij, want dat was wat die winkel heette te zijn. Voor een boekbinder had Bindels zijn naam wel mee.
Intussen weet ik meer. J. Bindels was behalve boekbinder ook een heuse uitgever. Mijn hart ging er sneller van slaan, toen ik bij een Hollands antiquariaat een boekje vond, uit 1949, van een zekere E. van Achterhoek: Koen vaart om de kaap. Avonturen van een scheepsjongen. Onderaan de titelpagina las ik: ‘J. Bindels – Uitgever – Spekholzerheide’.
Een echte uitgever in Spekholzerheide, dertig meter bij ons huis vandaan! En ik had het niet geweten. En wat een exotisch (‘vaderlands’) boek was dat voor een Limburgse uitgeverij...
Intussen heb ik nog drie boeken uit het fonds van J. Bindels antiquarisch weten te bemachtigen. Het eerste is De ‘Goodwill’ Club. Een boeiend verhaal voor jongens, door Hans de la Rive Box, verschenen in 1947. Bindels had het boek, zo zie ik achterin, laten drukken in Krommenie. Niet naast de deur dus. Het tweede – opnieuw niet erg streekgebonden, zoals men misschien wèl zou verwachten - is Oliver Cromwell door Leopold von Ranke, niet gedateerd maar vermoedelijk uit 1946. En ja, eindelijk komen we dan toch dichter bij huis: de roman Knokenflip. Een mijnwerker vertelt, geschreven door G. Nolting. Een boek uit de eigen regio, in 1947 verschenen en opgedragen aan ‘alle Kompels in Limburg en waar ook ter wereld’. Dat laatste relativeert die regio natuurlijk ten zeerste. Limburgse mijnwerkers dachten internationaal. Net als zeelui. Tot op het laatst van zijn leven zag ik hoe mijn vader emotioneel kon worden bij berichten over mijnrampen, in Duitsland, Afrika, Rusland, China.
Wat Bindels nog meer op de markt heeft gebracht, weet ik niet. Maar in 1956 moet de uitgeverij al niet meer hebben bestaan. Toen was in het voormalige winkelpand een café-pension gevestigd, waar Hongaarse vluchtelingen onderdak vonden en waar ik op zomerse zondagmiddagen wel eens een kan bruin bier moest halen voor bij het warme maal. Waarna het grote lezen werd voortgezet.
Wij woonden in de Schoolstraat. Op de hoek van die straat en de Akerstraat had je een merkwaardig, desolaat en stoffig ogend winkelpand, waarvan de inboedel voornamelijk bestond uit stapels boeken, die zichtbaar waren door de grote kale ramen. J. Bindels stond er op de ruit, en daaronder waarschijnlijk Boekbinderij, want dat was wat die winkel heette te zijn. Voor een boekbinder had Bindels zijn naam wel mee.
Intussen weet ik meer. J. Bindels was behalve boekbinder ook een heuse uitgever. Mijn hart ging er sneller van slaan, toen ik bij een Hollands antiquariaat een boekje vond, uit 1949, van een zekere E. van Achterhoek: Koen vaart om de kaap. Avonturen van een scheepsjongen. Onderaan de titelpagina las ik: ‘J. Bindels – Uitgever – Spekholzerheide’.
Een echte uitgever in Spekholzerheide, dertig meter bij ons huis vandaan! En ik had het niet geweten. En wat een exotisch (‘vaderlands’) boek was dat voor een Limburgse uitgeverij...
Intussen heb ik nog drie boeken uit het fonds van J. Bindels antiquarisch weten te bemachtigen. Het eerste is De ‘Goodwill’ Club. Een boeiend verhaal voor jongens, door Hans de la Rive Box, verschenen in 1947. Bindels had het boek, zo zie ik achterin, laten drukken in Krommenie. Niet naast de deur dus. Het tweede – opnieuw niet erg streekgebonden, zoals men misschien wèl zou verwachten - is Oliver Cromwell door Leopold von Ranke, niet gedateerd maar vermoedelijk uit 1946. En ja, eindelijk komen we dan toch dichter bij huis: de roman Knokenflip. Een mijnwerker vertelt, geschreven door G. Nolting. Een boek uit de eigen regio, in 1947 verschenen en opgedragen aan ‘alle Kompels in Limburg en waar ook ter wereld’. Dat laatste relativeert die regio natuurlijk ten zeerste. Limburgse mijnwerkers dachten internationaal. Net als zeelui. Tot op het laatst van zijn leven zag ik hoe mijn vader emotioneel kon worden bij berichten over mijnrampen, in Duitsland, Afrika, Rusland, China.
Wat Bindels nog meer op de markt heeft gebracht, weet ik niet. Maar in 1956 moet de uitgeverij al niet meer hebben bestaan. Toen was in het voormalige winkelpand een café-pension gevestigd, waar Hongaarse vluchtelingen onderdak vonden en waar ik op zomerse zondagmiddagen wel eens een kan bruin bier moest halen voor bij het warme maal. Waarna het grote lezen werd voortgezet.
vrijdag 21 maart 2008
Zeeman over Claus

Schrijvend over Hugo Claus, in de Volkskrant van 20 maart, vindt Michaël Zeeman het ‘kenmerkend’, dat de man ‘die zichzelf [in een van zijn sonnetten] alvast als een keteltje as portretteerde op aswoensdag het leven liet’.
Maar... Claus is helemaal niet overleden op Aswoensdag, maar op woensdag in de Goede Week. En daar is dus niets ‘kenmerkends’ aan. Aswoensdag is de eerste dag van de vastentijd en ligt alweer zes weken achter ons. Een te snelle ‘interessante’ conclusie dus van een bluffende heer Zeeman, gebaseerd op een gebrek aan kennis. De bange vraag komt op: zou deze criticus van reformatorischen huize het anti-katholieke substraat in het werk van Claus überhaupt op zijn betekenis en waarde kunnen beoordelen?
Maar... Claus is helemaal niet overleden op Aswoensdag, maar op woensdag in de Goede Week. En daar is dus niets ‘kenmerkends’ aan. Aswoensdag is de eerste dag van de vastentijd en ligt alweer zes weken achter ons. Een te snelle ‘interessante’ conclusie dus van een bluffende heer Zeeman, gebaseerd op een gebrek aan kennis. De bange vraag komt op: zou deze criticus van reformatorischen huize het anti-katholieke substraat in het werk van Claus überhaupt op zijn betekenis en waarde kunnen beoordelen?
Wil ik Hugo Claus hiermee postuum tot katholiek auteur verklaren, zoals een enkele bange en wantrouwige ex-katholiek blijkt te menen? Wel verre van dat. Wel is duidelijk, dat Claus, opgevoed en geverseerd in de wereld van het Vlaame katholicisme de katholieke geloofsleer en cultuur als substraat hanteert in zijn werk. Dat substraat is hoe dan ook mythisch: antiek of katholiek. Michaël Zeeman noemt hem in zijn Volkskrant-bijdrage (zie hierboven) een 'papenvreter'. Dat was Claus vast wel. Maar met deze nuance: een ex-katholieke papenvreter is niet hetzelfde als een reformatorische papenvreter.
Claus vrat het katholicisme vanbinnenuit op.
Zalig Pasen.
donderdag 20 maart 2008
Beleefd, overleden
Geen ramp natuurlijk, maar het gedicht dat Hugo Claus voor Gerrit Kouwenaar schreef en dat door de laatste werd voorgelezen in het televisieprogramma De wereld draait door van 19 maart (http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/terugkijken.php?id=456&autostart=0) dateert niet van 1993, zoals GK in de uitzending meende, maar van 1983. Het werd geschreven voor Kouwenaars zestigste en dus niet zeventigste verjaardag.
Het is te vinden in het door Hans Tentije en mij samengestelde liber amicorum voor Gerrit Kouwenaar, Het is zo vandaag als altijd (Banholt, In de Bonnefant, 1983).
Het boek werd de jarige aangeboden tijdens een feestmaal op Château Neercanne bij Maastricht op 29 oktober 1983 en bevatte behalve het gedicht 'Voor Gerrit' bijdragen van H.C. ten Berge, Rein Bloem, Constant, Gérard van den Eerenbeemt, J. Bernlef, Remco Campert, Kees Nieuwenhuijzen, Jan Gommert Elburg, David Kouwenaar, Hans Faverey, Lucebert, Wiel Kusters, Jan Sierhuis, Jan Kuijper, Cees Nooteboom, Pierre van Soest, Peter Nijmeijer, Bert Schierbeek, Aat Verhoog, K. Schippers, Lela Zeckovic en Hans Tentije.
Het door de Zondagsdrukker (Reinold Kuipers) gedrukte menu dat ik in mijn exemplaar van het vriendenboek bewaar, opende met dit Kouwenaar-citaat: 'wie niet smakt is beleefd / of overleden'.
Het is te vinden in het door Hans Tentije en mij samengestelde liber amicorum voor Gerrit Kouwenaar, Het is zo vandaag als altijd (Banholt, In de Bonnefant, 1983).
Het boek werd de jarige aangeboden tijdens een feestmaal op Château Neercanne bij Maastricht op 29 oktober 1983 en bevatte behalve het gedicht 'Voor Gerrit' bijdragen van H.C. ten Berge, Rein Bloem, Constant, Gérard van den Eerenbeemt, J. Bernlef, Remco Campert, Kees Nieuwenhuijzen, Jan Gommert Elburg, David Kouwenaar, Hans Faverey, Lucebert, Wiel Kusters, Jan Sierhuis, Jan Kuijper, Cees Nooteboom, Pierre van Soest, Peter Nijmeijer, Bert Schierbeek, Aat Verhoog, K. Schippers, Lela Zeckovic en Hans Tentije.
Het door de Zondagsdrukker (Reinold Kuipers) gedrukte menu dat ik in mijn exemplaar van het vriendenboek bewaar, opende met dit Kouwenaar-citaat: 'wie niet smakt is beleefd / of overleden'.
Abonneren op:
Posts (Atom)


