dinsdag 23 mei 2023


 

SPUI25, Amsterdam, 24 mei 2023, 17.00-18.30 uur

De vormende jaren van Gerrit Kouwenaar




de Volkskrant 24 april 2023 over Morgen wordt het voor iedereen maandag. De oorlog van Gerrit Kouwenaar

Tekst: Laura de Jong; foto's: Jan Mulder






woensdag 5 april 2023

Presentatie Morgen wordt het voor iedereen maandag op donderdag 13 april om 16.00  uur bij boekhandel De Tribune, Kapoenstraat 8-10, Maastricht,
met medewerking van Cyrille Offermans.



(Klik op de afbeelding)


dinsdag 22 november 2022

Biografie van Gerrit Kouwenaar

In april 2023 verschijnt ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Gerrit Kouwenaar bij Uitgeverij Cossee het eerste deel van mijn biografie van de dichter:

Morgen wordt het voor iedereen maandag. De oorlog van Gerrit Kouwenaar

(klik op de afbeelding om ze te vergroten)









vrijdag 25 februari 2022

Evenals vorig jaar heeft het Jahrbuch der Lyrik ook in 2022 een plaatsje ingeruimd voor mijn in het Duits geschreven gedichten.




Jahrbuch der Lyrik 2021 en Jahrbuch der Lyrik 2022.
Frankfurt am Main, Schöffling & Co.



Twee van mijn (en Joep Bertrams') Alfabels als voorpublicatie in de Poëziekrant van september-oktober 2021.

De volledige verzameling verschijnt 1 juni 2022 bij het PoëzieCentrum te Gent.

donderdag 23 december 2021

ALFABELS, samen met Joep Bertrams

 Juni 2022 verschijnt bij PoëzieCentrum te Gent:

Wiel Kusters & Joep Bertrams

ALFABELS

Lees hieronder de prospectustekt.


Klik op de foto om hem te vergroten



 

Samuel van Hoogstraten (1664)

Ultiem

 

Je ligt geboren in een beeld dat zwond,

maar als herinnering nog peilbaar is.

Ik zie je: een verleden woord, een wond,

tot litteken genezen, en ik mis

je adem en dat ik je slapen hoor.

 

Soms denk ik dat ik me, verdomd, vergis,

strijk langs jouw afzijn en het komt me voor,

ik houd mijn adem in, jij ademt door.

 

Liefst zou ik van ons twee de derde zijn:

eerst jij, dan ik en ook weer andersom,

zodat we zouden weten het is goed

dat wat de een nu laat, de ander doet.

 

Jij denkt me alles waar ik niet toe kom.
Ik ben jou vreemd, maar op bekend terrein.


Uit nieuw werk in opbouw: Het brievenbord

© Wiel Kusters 2021


dinsdag 2 november 2021


Zo trof ik mijn gedicht 'Vader' (uit Een oor aan de grond, 1978) aan op een muur in het vroegere mijnwerkersdorp Heerlerheide. Kunstenaar onbekend.

maandag 25 oktober 2021

IN DEN ZWISCHENRÄUMEN


 

In het voorjaar van 2020 schreef ik, in een opwelling die een kleine twee weken duurde, achttien gedichten in het Duits.

Waarom in het Duits? Dat is moeilijk te zeggen. Of eigenlijk toch ook niet: mijn moedertaal (ik ben geboren aan de Duitse grens in oostelijk Zuid-Limburgs, in Spekholzerheide) is wat je een dialect van het Duits zou kunnen noemen, en het heeft maar een paar kilometer gescheeld of ik was een Duitse dichter geworden.

 

De gedichten die ik in het Duits heb geschreven ervaar ik zelf als ‘anders’ maar ook ‘eender’. En het zou me dan ook niet verbazen wanneer ik deze draad op zeker moment weer oppak.

 

Het gedicht ‘In Städten und Dörfern’, het eerste van de reeks, verscheen eerder dit jaar in het Jahrbuch der Lyrik 2021, herausgegeben von Christoph Buchwald und Carolin Callies bij uitgeverij Schöffling & Co., Frankfurt am Main.

 

Nu heeft Hans van Eijk / In de Bonnefant van mijn voorjaarsoogst 2020 een mooie uitgave gemaakt: In den Zwischenräumen.

 

Hieruit:

 

Im Umbruch

 

Hast du die eine Welt

übergangen, fehlt dir sofort

die nächste, als hätte sie sich

verzögert wegen eines falschen

Abiturs.

 

Plötzlich aber hängt sie

mit wenigen Buchstaben

an die Wand genagelt.

 

Durstig saugt sie, saugt sie vom Schwamm,

bis uns der Lehrer sie wegwischt.

 

Meer informatie over In den Zwischenräumen en een mogelijkheid tot bestellen zijn HIER te vinden.







 

vrijdag 2 juli 2021

NA DE WINTER: vijf gedichten uit de zomer van 2020

De meester-drukker SER J.L. PROP kondigt aan:

Op 1 juli is een nieuwe bundel van Wiel Kusters verschenen, getiteld: 


N A  D E  W I N T E R

Deze bundel bevat een bijzondere reeks van vijf niet eerder gepubliceerde gedichten. 

De gedichten zijn gezet uit de 14-punts Romanée en in zwart en ultramarijn gedrukt op Zerkall-Bütten in een door de auteur gesigneerde oplage van veertig exemplaren. Het boekje, gebrocheerd met een cahiersteek, telt 16 pagina’s (II, 12, II); het formaat is 23,2 x 15,6 cm. 

De prijs bedraagt € 24,00 exclusief portokosten van €4,60 (brievenbuspakje). 

Na ontvangst van het verschuldigde bedrag op bankrekeningnummer NL04 RABO 0133 5056 42 t.n.v. S.J.L.Prop wordt het boekje u toegestuurd. 





gedicht vier van vijf

vrijdag 26 maart 2021

maandag 22 maart 2021

Ik treed met mijn recente, in het Duits geschreven gedichten op tijdens de Lyrikjahrbuch-Nacht van Verlagsbuchhandlung Schöffling & Co. op 23 april 2021.



(klik op het affiche om het te vergroten)

maandag 8 maart 2021

Jahrbuch der Lyrik

 Bij uitgeverij Schöffling & Co. in Frankfurt am Main is zojuist het Jahrbuch der Lyrik 2021 verschenen, samengesteld door Christoph Buchwald en Carolin Callies.

Ik mag mij met mijn Duitstalige werk verheugen in een plaatsje tussen de Duitse dichters van dit moment in deze 'grossartige Sammlung deutschsprachiger Gegenwartslyrik', waarvan dit de vijfendertigste aflevering is.

Meer informatie over het Jahrbuch: hier.




dinsdag 5 januari 2021

 

DICHTERSCHAP

 

‘V is een visser, met vis in zijn schuit’

 

Ik zwem door mazen, maar er is geen net,       

kan alle kanten op, ook achteruit.

Mijn soort is in dit water uitgezet,

maar vissers hebben het voor ons verbruid

door niet te talen naar de oude wet

dat zelfs het water zijn beperking kent

voor wie er uit de maalstroom wordt gered

omdat hij snel voorbij zijn kieuwen zwemt.

 

Ik ben een vis, ik ben een hele school

tot in mijn graten toe, die niemand eet.

Vermenigvuldigd door die ene angst:

dat ik ontkomen zal bij elke vangst,

dat ik de enige ben die men vergeet,

die als ondood door zijn woorden doolt.



5 januari 2021

 

Twee nieuwe uitgaven van de Avalon Pers.

Talkshow: zestien nieuwe gedichten, gekozen uit de verzen die volgden op het in de bundel Zonder palet (Amsterdam, Cossee, 2020) bijeengebrachte werk.
Negentig exemplaren, gedrukt op Simili Japon.

Ars poetica: een gedicht.

Verkrijgbaar bij de Avalon Pers, Woubrugge, euro 15,00 resp. euro 5,00.
avalonpers@hetnet.nl

maandag 6 juli 2020

Mathijs Sanders in het nieuwe nummer van de Poëziekrant over Zonder palet.

Klik op de foto's om ze te vergroten.




woensdag 17 juni 2020

Krukkig


Via mijn uitgeefster ontving ik een bespreking van mijn gedichtenbundel Zonder palet, een stuk waarover ik, gezien de huidige stand van de poëziekritiek, niet hoef te klagen, maar dat me wel even aan het denken zette over de vraag of je op zo’n stuk kunt reageren, zoals je dat in een interview zou doen. Of in een openbaar gesprek over gedichten, zoals ik dat in februari in Theater Landgraaf en in boekhandel Van der Velden van Dam Heerlen zou hebben gevoerd met Dick Gebuys en Ben van Melick, als het coronavirus daar geen uitsteekseltjes voor had gestoken.

Dat soort gesprekken indachtig besloot ik dit stukje toch maar te schrijven. Ook al omdat het los van de genoemde recensie (door Joost Baars in het zomernummer van Awater) een ongezochte gelegenheid biedt om een van de meest autobiografische gedichten uit Zonder palet een wat preciezer kenbare achtergrond te geven.
Ik bedoel het gedicht ‘Dichtersbloed’.

Dichtersbloed

Ik was zeventien en zocht de poëzie
waar ze niet was, in mijn klein leven toen,
de krampjes van elk woord, echolalie.
Wel wortels, maar geen takken, laat staan groen.

Ik werkte in een ziekenhuis als klerk,
de poli van de zenuwarts De Jong.
Daarnaast bezong ook ik de reine berk
(geneurie eigenlijk, met die stijve tong).

Plots stond de dichter Aafjes voor mijn neus.
Ik las hem al, zijn reisverhalen en
Het koningsgraf, de Voetreis van zijn roem,
al dat werk, de schaduw van een reus.
Hij moest meteen naar het lab, ik gidste hem
en zag zijn bloed zich in een buisje doen.

Het gedicht gaat over mijn eerste pogingen tot het verleiden van de muze van de poëzie. Ik was zeventien en werkte, sinds juli 1963, voornamelijk administratief, op de polikliniek van de zenuwartsen (de toenmalige term van specialisten in neurologie èn psychiatrie) De Jong en Kreutzkamp in het Sint Joseph Ziekenhuis in Heerlen.

Een kleine wereld: het ouderlijk gezin in Spekholzerheide (je komt de plaatsnaam tegen in Nescio’s novelle Dichtertje), van het dagelijks werk in Heerlen en van de avondlessen, drie keer in de week, van het Zuid-Limburgs Avondlyceum in de klaslokalen van het Heerlense Bernardincuscollege, zevenenvijftig jaar geleden. Ook probeerde ik gedichten te schrijven, wat niet zo gemakkelijk was, want waar kon ik het over hebben?

Ik las veel, en nog meer. ‘Jongen, je leest je verstand weg,’ zei mijn moeder, een beetje bezorgd, maar ook wel met vertedering. Maar uit mijzelf groeide nog niks tevoorschijn, mijn woorden kwamen geen stap vooruit. (Het woord echolalie, dat daar nu metaforisch naar verwijst, kan ik destijds al hebben opgedaan uit de medische dossiers die ik administratief verwerken moest.)

De ‘reine berk’ die ik als groen dichtertje bezong, is natuurlijk een verwijzing naar het gedicht ‘Niet te geloven’ van Remco Campert (‘alles zoop en naaide’, die ‘onwelvoeglijke’ regels over de bevrijding, 1945, die in mei 1964 het einde inluidden van het fijne boekenprogramma Literaire ontmoetingen van H.A. Gomperts en Hans Keller op de televisie).
En die ‘stijve tong’, onmachtig stijf van de echolalie, ja, dat was natuurlijk ook een toespeling op ahum.

Tot mijn grote leesgenoegens als zestien-, zeventienjarige behoorden de reisverhalen van de dichter Bertus Aafjes (Morgen bloeien de abrikozen, over zijn verblijf in Egypte bijvoorbeeld) – je kwam nog eens ergens als je de reisstukken las waarmee hij op Cees Nooteboom vooruitliep. Maar natuurlijk woonde ik ook in Aafjes’ gedichten. Een voetreis naar Rome leerde me hoe een dichter kan zingen, Het koningsgraf hoe hij erotiek en dood weet te verbinden. En hoe huiveringwekkend het ‘Niets’ kan zijn.

Dat was geen ‘kleine wereld’ meer. Deze dichter, van wie ik wist dat hij zeer dichtbij zijn vaste basis had, op kasteel Hoensbroek bij Heerlen, sloeg zijn vleugels uit, over de aardbol en in de taal. In hém stroomde wat je wel eens ‘dichtersbloed’ hoorde noemen. Dat viel niet te ontkennen. Maar ook leerde ik dat vitaliteit en melancholie samen kunnen gaan, en dat depressiviteit dan op de loer ligt, al is dat toch ook iets heel anders.

Zo kon het gebeuren dat ik de bewonderde dichter in de polikliniek plotseling voor mij zag en ik hem schuchter kon zeggen dat ik hem las. En dat ik hem, toen hij bloed moest laten prikken, zei dat ik hem wel naar het laboratorium zou brengen, ik wist de weg. Zo maakte ik mijn voetreisje met hem door de gangen van het ziekenhuis. En ik hoorde hoe hij slofte. Bij de prikdienst zag ik hoe zijn ‘dichtersbloed’ zich moest bergen in een buisje. Gevangen, verkleind, in zekere zin zelfs: gekleineerd.

Ik ‘zag zijn bloed zich in een buisje doen.’

Zo, met deze woorden heb ik dat in het gedicht ‘Dichtersbloed’ opgeschreven.
Het staat er precies zoals het er moet staan. Met een op betekenisvolle wijze kleurloos en suffig woordje ‘doen’. Onhandig rijmend op dat trotse ‘roem’ enkele regels eerder.

De criticus schrijft over deze regel en over dat ‘doen’, dat het lijkt ‘dat Kusters zo snel tevreden was met een rijm, dat hij de krukkigheid ervan voor lief neemt. [...] Van zulke regels krimp ik een beetje ineen.’

Dat laatste, lieve lezer, was ook wel de onkrukkige bedoeling, zoals zich nu misschien begrijpen laat. Ook ik kromp van dat zielig ‘zich in een buisje doen’. Toen ik het zag, lang geleden, en toen ik er een gedicht over schreef.

Aber nichts für ungut.

** 

Wiel Kusters, Zonder palet, Uitgeverij Cossee 2020, 154 pagina’s, € 19,90).



Foto: portret Bertus Aafjes door zijn dochter Diana Huijts (Literatuurmuseum).

dinsdag 31 maart 2020

Persconferentie

      'Downhearted? Not we, say the bells of Stepney’

Ook dit breekt zich nu baan: een angst voor hoop,
onnodige twijfel die zich langzaam aan
verspreidt, met als van gif een grif verloop.
Nog even en het leven komt tot staan.

Het vuur lijkt altijd slimmer dan zijn rook,
die sla je weg (zie hoe ik hier gebaar),
maar doven is dat niet: je bent de pook.
(Mijn ogen prikken – als de naald een blaar.)

Keer in. En strooi geen vonken in het rond,
want alle vlees is brandbaar als het gras,
waarin je je bedauwd geboren vond.

Vergeet een dood waarvan je niet genas,
de navelstreng je allerlangste lont.
Er blaast straks iemand vonken uit je as.


31 maart 2020